Uitspraak
200202993/1) heeft overwogen, volgt uit het beleid, zoals opgenomen in paragraaf 7.1. van het Beleidsbesluit, geen aanspraak voor appellante dat zij, als in het sublitoraal minder dan 400.000 mosselton opvisbaar aanwezig is, onder alle omstandigheden op de platen naar mosselzaad kan vissen. Gelet op de overige onderdelen van het schelpdiervisserijbeleid, waaruit het belang van stabiele mosselbanken voor de voedselvoorziening voor vogels blijkt, en de omstandigheden van dit geval is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid de vergunning heeft kunnen weigeren. Zij neemt hierbij in aanmerking dat niet vaststaat wanneer een concentratie mosselen moet worden aangemerkt als een zich ontwikkelende of stabiele mosselbank. Onderzoek hiernaar in het kader van de evaluatie van de tweede fase, 1999-2003, (EVA II), heeft niet tot een duidelijke uitkomst geleid. Desondanks heeft verweerder de voor hem beschikbare informatie kunnen aanmerken als voldoende basis voor zijn conclusie dat de concentraties van mossels in de gebieden die in de vergunningaanvraag zijn genoemd kunnen uitgroeien tot stabiele mosselbanken.