ECLI:NL:RVS:2004:AR7985
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Brink
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid intrekking grondwateronttrekkingsvergunningen in Zuidelijk Flevoland bevestigd
Bij besluiten van 28 oktober 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland vergunningen voor het onttrekken van grondwater in Zuidelijk Flevoland geheel of gedeeltelijk ingetrokken. Appellanten stelden beroep in tegen deze besluiten. De Raad van State oordeelt dat het bestuursorgaan beoordelings- en beleidsvrijheid heeft bij het intrekken van vergunningen op grond van de Grondwaterwet.
De vergunningen betroffen onttrekkingen voor bedrijfshygiëne, gewasbescherming, veedrenking, fertigatie, koeling en beregening. De intrekking betrof alle gebruiksdoelen behalve beregening. Het beleid van verweerder is gericht op het reserveren van zoet grondwater uit het derde watervoerend pakket primair voor de openbare drinkwatervoorziening. Uit onderzoek blijkt dat leidingwater een geschikt alternatief is voor de onttrekkingen ten behoeve van de genoemde gebruiksdoelen.
Appellanten voerden onder meer aan dat het beleid onredelijk is, dat het gebruik van leidingwater niet gegarandeerd is, en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het beleid niet onredelijk is, dat Hydron als waterleverancier voldoende capaciteit heeft en dat het gebruik van buffertanks geen onaanvaardbare risico’s met zich brengt. Ook is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.
Verder is geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden en dat de kosten voor appellanten niet onredelijk hoog zijn. De beroepen zijn ongegrond verklaard en de intrekkingen van vergunningen blijven in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van grondwateronttrekkingsvergunningen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.