ECLI:NL:RVS:2004:AR7988
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Brink
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergunning grondwateronttrekking in Zuidelijk Flevoland wegens onttrekking niet langer toelaatbaar
Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Flevoland, heeft bij besluit van 28 oktober 2003 de vergunning van appellant voor het onttrekken van grondwater uit het derde watervoerend pakket in Zuidelijk Flevoland ingetrokken. De intrekking is gebaseerd op artikel 24 van Pro de Grondwaterwet en het provinciale beleid om grondwater primair te reserveren voor de openbare drinkwatervoorziening.
Appellant betwist de intrekking en voert aan dat het gebruik van leidingwater als alternatief niet geschikt is, onder meer vanwege de herkomst van het leidingwater en mogelijke gezondheidsrisico's voor vee. Verweerder stelt dat het beleid sinds 1983 gericht is op het beschermen van dit grondwater en dat alternatieven zijn onderzocht, waarbij leidingwater via Hydron Flevoland N.V. als geschikt alternatief is vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beleid van verweerder niet onredelijk is en dat de intrekking past binnen dit beleid. Het leidingwater is deels afkomstig uit geïnfiltreerd oppervlaktewater, waardoor grondwaterbesparing wordt gerealiseerd. De risico's van levering via buffertanks zijn niet aannemelijk gemaakt en het staat appellant vrij te kiezen voor een continue aansluiting. Ook de kosten en investeringen zijn niet onredelijk geacht.
Verder is geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. De intrekking is voorzien van een begunstigingstermijn tot 1 mei 2005, zodat appellant tijd heeft om over te stappen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning voor grondwateronttrekking is ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.