ECLI:NL:RVS:2005:2
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na aanvullend gehoor en beoordeling geloofwaardigheid
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. Na een gedeeltelijke vernietiging van het eerste besluit door de rechtbank en een nieuw besluit van de minister, wees de rechtbank het beroep van appellant af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De grief betrof de vraag of de minister terecht het asielrelaas ongeloofwaardig heeft bevonden na een aanvullend gehoor, waarbij appellant stelde dat het aanvullend gehoor misbruikt was en dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of er sprake was van een reëel risico volgens artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State overwoog dat de minister vrij stond appellant aanvullend te horen en dat het aanvullend gehoor niet misbruikt was. De minister had de gronden voor het aanvullend gehoor toegelicht en de rechtbank had terecht geoordeeld dat het relaas ongeloofwaardig was. Tevens was het reële risico onderzocht. De grief faalde en het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.