ECLI:NL:RVS:2005:AR8733

Raad van State

Datum uitspraak
5 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404782/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WRO
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek schadevergoeding planschade wegens niet-eigendom bij vaststelling bestemmingsplan

Appellant verzocht de gemeenteraad van Heerenveen om schadevergoeding op grond van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), omdat zijn perceel volgens hem in waarde was gedaald door het bestemmingsplan "Heerenveen-Centrum". Dit bestemmingsplan was vastgesteld in 1990 en onherroepelijk geworden in 1992. Appellant werd echter pas eigenaar van het perceel in 1997, na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

De gemeenteraad wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Leeuwarden bevestigde deze afwijzing. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO Pro alleen kan worden toegekend aan degene die eigenaar was ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Omdat appellant toen nog geen eigenaar was, kon hij geen aanspraak maken op vergoeding van planschade.

Verder oordeelde de Afdeling dat andere door appellant aangevoerde gronden, zoals schade door verstrekte informatie, dwangsombeschikkingen en verzoek tot bestemmingswijziging, niet ter beoordeling stonden in dit geding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens planschade wordt afgewezen omdat appellant geen eigenaar was ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Uitspraak

200404782/1.
Datum uitspraak: 5 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Heerenveen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2002 heeft de raad van de gemeente Heerenveen (hierna: de raad) het verzoek van appellant om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.
Bij besluit van 8 mei 2003 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 april 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 4 augustus 2004 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2004, waar appellant in persoon en vergezeld van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Doelman en mr. G.H.D. van der Veer, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Aannemelijk is dat het hoger beroepschrift tijdig ter post is bezorgd en derhalve tijdig is ingediend.
2.2.    Ingevolge artikel 49 van Pro de WRO, voorzover thans van belang, kent de gemeenteraad een belanghebbende, voorzover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op diens verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.3.    Vaststaat dat het bestemmingsplan “Heerenveen-Centrum” op 25 juni 1990 door de raad is vastgesteld en dat het op 17 september 1992 onherroepelijk is geworden.
Op 17 september 1997 is het perceel aan de [locatie], kadastraal bekend [plaats], sectie […], nummer […] (hierna: het perceel) door [verkoper] aan appellant verkocht, waarna het op 16 oktober 1997 bij notariële akte aan hem geleverd is. Bij schrijven van 20 augustus 2002 heeft appellant om vergoeding van planschade verzocht “voor het buiten de eigenaar om veranderen van woning tot bijgebouw”. Bij aanvullend schrijven van 23 september 2002 heeft hij gesteld dat zijn pand daardoor aanmerkelijk in waarde is gedaald.
2.4.    Gelet op de bewoordingen van appellants verzoek hebben de raad en de rechtbank dit terecht aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 49 van Pro de WRO. Aangezien appellant ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan “Heerenveen-Centrum” nog geen eigenaar was van het perceel is de beweerdelijk door hem geleden schade niet het gevolg van voornoemd bestemmingsplan, zodat de raad het verzoek terecht heeft afgewezen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd maakt dit niet anders.
2.5.    De rechtbank heeft daarnaast terecht en op goede gronden overwogen dat de vraag of appellant schade heeft geleden als gevolg van de door de gemeente Heerenveen verstrekte informatie noch zijn verzoek om vergoeding van de schade geleden door de dwangsombeschikkingen en zijn verzoek om de bestemming van zijn pand te wijzigen in een woonbestemming in dit geding ter beoordeling staan.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Glerum
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005
47-465.