ECLI:NL:RVS:2005:AS2194

Raad van State

Datum uitspraak
12 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405707/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 Wet milieubeheerArt. 10.63 Wet milieubeheerArt. 20.6 Wet milieubeheer
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen ontheffing demping sloot met snoeihout op grond van Wet milieubeheer

Verweerder heeft op 13 mei 2004 een ontheffing verleend aan een vergunninghouder voor het dempen van een sloot met onversnipperd snoeihout en takkenbossen op percelen nabij een locatie in de gemeente Graafstroom. Het besluit is ter inzage gelegd en appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State.

Appellant voerde aan dat hij geen bedenkingen had ingebracht tegen het ontwerpbesluit omdat hem een verkeerde tekening was getoond, waardoor hij onjuist geïnformeerd was over de ligging van de sloot. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant hierdoor redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht, waardoor het beroep ontvankelijk is.

De Afdeling heeft vervolgens de bezwaren van appellant inhoudelijk beoordeeld en verwijst naar een eerdere uitspraak waarin reeds is geoordeeld dat de verstoring van de rust binnen de afpalingskring van de eendenkooi door de werkzaamheden niet voldoende aanleiding geeft om het besluit te vernietigen. De bezwaren van appellant worden niet gegrond verklaard en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het vonnis is uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 januari 2005.

Uitkomst: Het beroep tegen de verleende ontheffing voor demping van de sloot wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200405707/1.
Datum uitspraak: 12 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2004, kenmerk DGWM/2004/7779, heeft verweerder krachtens artikel 10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] ontheffing verleend van het in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde verbod ten behoeve van de demping van een sloot met onversnipperd snoeihout en takkenbossen op percelen ter plaatse van de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Graafstroom, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 juni 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2004, beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door L.C. Aben en ing. C.C.L. van der Pijl, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Appellant heeft geen bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hem bij de inzage van het ontwerp van het besluit door een ambtenaar van de gemeente Graafstroom een tekening is getoond waarop een dwarssloot buiten de afpalingskring stond aangegeven, waaromtrent geen bedenkingen zijnerzijds bestonden. Bij inzage van het definitieve besluit werd echter een geheel andere kaart getoond, waarop een lengtesloot, grotendeels binnen de afpalingskring, is aangegeven. Gezien de stukken acht de Afdeling aannemelijk dat appellant na de bezichtiging van de tekening bij de inzage van het ontwerp van het besluit over een incorrect beeld van de ontheffing beschikte. Gelet hierop kan hem redelijkerwijs niet worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ontvankelijk is.
2.2    De Afdeling dient te beoordelen of de bezwaren van appellant aanleiding vormen om het bestreden besluit te vernietigen. Bij uitspraak van 10 augustus 2004 in zaak no.
200405707/2heeft de Voorzitter van de Afdeling een oordeel gegeven over hetgeen appellant ten aanzien van de verstoring van de rust binnen de afpalingskring van zijn eendenkooi door de werkzaamheden in het kader van de demping van de sloot heeft aangevoerd. De Afdeling ziet gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om over de beroepsgronden van appellant thans anders te oordelen dan haar Voorzitter heeft gedaan. Onder verwijzing naar de overwegingen in vorengenoemde uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat de bezwaren van appellant geen doel treffen. Het beroep is daarom ongegrond.
2.3    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Heijerman
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005
255