Uitspraak
200303658/1heeft de Afdeling geoordeeld dat de Regeling ondermandaat DGVH zich niet verdraagt met de daaraan op grond van artikel 10:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te stellen eisen en dat deze regeling daarom onverbindend is. De Regeling ondermandaat DGW (Stcrt. 2002, nr. 32), op grond waarvan het Hoofd van de Unit Correspondentie het bestreden besluit heeft genomen, bevat een gelijkluidende tekst en is derhalve evenzeer onverbindend. Gelet hierop is dit besluit onbevoegdelijk genomen. De rechtbank heeft dit miskend. Nu de Minister bij brief van 16 november 2004 heeft medegedeeld dat hij het besluit geheel voor zijn rekening neemt en dit besluit is genomen door een ambtenaar die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, kan (evenals de rechtbank ten aanzien van het niet naleven van de hoorplicht in de zin van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft overwogen) met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven als de inhoud van het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Met de rechtbank is de Afdeling, zoals uit het hierna volgende blijkt, van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.