ECLI:NL:RVS:2005:AS3186
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- G.K. Klap
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vergunning met beperkte duur voor opslag vervuilde grond
Bij besluit van 9 november 2004 verleende het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een opslagplaats voor vervuilde grond, gelegen aan een locatie te een plaats, voor de duur van één jaar. Deze vergunning werd ter inzage gelegd op 11 november 2004. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Appellant voerde aan dat hem was toegezegd dat de vergunning voor vijf jaar zou gelden, een termijn die hij noodzakelijk achtte voor de financiering van de afvoer van de verontreinigde grond. Verweerder stelde echter dat op grond van artikel 11e van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en een provinciaal advies de termijn moest worden beperkt tot één jaar.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het bevoegd gezag krachtens de wet aan een vergunning voor opslag van afvalstoffen een termijn van maximaal één jaar moet verbinden. De financiële situatie van appellant kan daaraan geen afbreuk doen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor opslag van vervuilde grond wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.