ECLI:NL:RVS:2005:AS3887

Raad van State

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410134/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
  • W.S. van Helvoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtOplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen revisievergunning milieubeheer voor lijmen- en kittenfabriek

Verzoekster, een vennootschap die lijmen en kitten produceert, kreeg op 22 oktober 2004 van het college van burgemeester en wethouders van Goes een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer. Het besluit bevatte onder meer een voorschrift dat vóór 1 januari 2006 de ondergrondse tanks moesten worden voorzien van een dampretoursysteem conform een specifieke richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen.

Verzoekster betwistte de milieuhygiënische noodzaak van dit voorschrift en voerde aan dat de maatregel weinig effect zou hebben op de emissie van vluchtige organische stoffen, dat niet alle leveranciers het systeem konden verwerken, en dat reeds aan de emissiegrenswaarden van het Oplosmiddelenbesluit werd voldaan. Tevens stelde zij dat de richtlijn niet van toepassing was op haar fabricageproces.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de beoordeling van de redelijkheid van het voorschrift nader onderzoek vereist dat niet in de voorlopige voorziening kan worden gedaan. Gezien de verwachting dat de bodemprocedure binnen enkele maanden wordt afgerond en het ontbreken van spoedeisend belang, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het voorschrift voor een dampretoursysteem wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200410134/2.
Datum uitspraak: 20 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
"Perfecta Chemie B.V.", handelend onder de naam Bison International, gevestigd te Goes,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Goes,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 oktober 2004, kenmerk 2004/2985, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het ontwikkelen, produceren, (tussen-)opslaan en distribueren van onder meer lijmen en kitten op het perceel Dr. A.F. Philipsstraat 8, 9 en 11 en Van Doornestraat 9 en 10 te Goes. Dit besluit is op 3 november 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 januari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, en F. Tazelaar, S. Christiaansen, en W. van der Kerk, en verweerder, vertegenwoordigd door C.P. van de Stolpe, J.W. Vermeulen, ambtenaren van de gemeente, en dr. W. Tuijman, gemachtigde, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Verzoekster kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 11.4. Hierin is bepaald dat vóór 1 januari 2006 de (ondergrondse) tanks voorzien moeten zijn van een dampretoursysteem Stage I conform paragraaf 7.3.5 van richtlijn 9-1 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (hierna: CPR).
Verzoekster betwist in de eerste plaats de milieuhygiënische noodzaak van het voorgeschreven dampretoursysteem. Zij betoogt dat de maatregel een zeer geringe bijdrage zal leveren aan de beperking van de totale emissie van vluchtige organische stoffen en dat niet al haar leveranciers in staat zijn de retour genomen dampen te behandelen. Dit laatste zal, aldus verzoekster, er op neerkomen dat die leveranciers de damp alsnog onbehandeld zullen emitteren, zodat het dampretoursysteem in feite geen nut heeft. Verder voert zij aan dat verweerder de kosteneffectiviteit van de maatregel niet heeft onderzocht en dat paragraaf 7.3.5 van de CPR 9-1 niet van toepassing is op de fabricage van kleefstoffen. Tot slot stelt verzoekster dat reeds wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn gesteld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (hierna: het Oplosmiddelenbesluit), dat vanaf 31 oktober 2007 op de inrichting van toepassing is. Het voorschrijven van een verdergaande maatregel, is naar haar mening in strijd met het Oplosmiddelenbesluit en de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn.
2.3.    De Voorzitter overweegt dat de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verdergaande maatregelen dan het Oplosmiddelenbesluit (en de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn) kunnen worden voorgeschreven nader onderzoek vergt, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Ter zitting heeft verzoekster meegedeeld dat ongeveer vier maanden nodig zijn voor de voorbereiding en de implementatie van een dampretoursysteem en dat daarom uiterlijk in september 2005 duidelijk moet zijn of het dampretoursysteem moet worden aangelegd.
De Voorzitter acht het aannemelijk dat voor september 2005 een uitspraak in de bodemprocedure wordt gedaan. Hij ziet daarom, na afweging van alle betrokken belangen, wegens het ontbreken van spoedeisend belang geen grond om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Van Helvoort
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005
361.