ECLI:NL:RVS:2005:AS4699

Raad van State

Datum uitspraak
26 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410045/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.40 Wet milieubeheerArt. 2 Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheerArt. 1.1 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake toepassing bestuurlijke handhaving milieubeheer

Verzoekers hebben bij besluit van 17 juni 2004 een verzoek ingediend om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen op een inrichting die bestaat uit een schuur waar bloemen worden opgeslagen en verwerkt tot boeketten. Dit verzoek is door het college van burgemeester en wethouders van Strijen afgewezen. Verzoekers stelden dat de inrichting niet onder het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer valt omdat ook akkerbouwproducten worden geteeld op de landbouwgronden die bij de inrichting horen.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en overwogen dat op basis van het akoestisch onderzoek, uitgevoerd onder representatieve omstandigheden, de geluidgrenswaarden niet worden overschreden. Tevens is geoordeeld dat de inrichting onder het Besluit valt en dat de verweerder terecht heeft besloten geen bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 26 januari 2005 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot afwijzing van bestuurlijke handhaving wordt afgewezen.

Uitspraak

200410045/2.
Datum uitspraak: 26 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Strijen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2004, kenmerk RS/2403, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [partij] gelegen aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 23 november 2004, verzonden op 24 november 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 9 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 januari 2004, waar verzoekers, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door L. Bos, ambtenaar van de gemeente en R.E.W. Kunkels, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is namens [partij] mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben.
Ingevolge het tweede lid geldt dit verbod niet voor inrichtingen die behoren tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin de bij die algemene maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting. Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) is een dergelijke algemene maatregel van bestuur.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen of producten.
Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties en onderdelen die onderling technische, functionele of organisatorische bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.
2.3.    Verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat de inrichting – een schuur waar bloemen worden opgeslagen die in boeketten worden verwerkt – niet onder de werking van het Besluit valt. Naar hun mening is de inrichting tevens bestemd voor de teelt van akkerbouwproducten, zodat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. In dit kader betogen zij dat op de landbouwgronden naast de inrichting (die eveneens in eigendom zijn van [partij]) maïsproducten worden geteeld die in de boeketten worden verwerkt.
Daarnaast voeren zij aan dat, zo de inrichting al valt onder de werking van het Besluit, de geluidgrenswaarden die zijn opgenomen in voorschrift 1.1.1. van de Bijlage behorende bij het Besluit worden overschreden en dat de metingen naar de geluidbelasting, die verweerder heeft doen uitvoeren, niet tijdens een representatieve bedrijfssituatie hebben plaatsgevonden.
2.4.    Bij uitspraak van 6 augustus 2004 in zaak no.
200405509/1heeft de Voorzitter van de Afdeling een oordeel gegeven over hetgeen verzoekers ten aanzien van de toepasselijkheid van het Besluit hebben aangevoerd. De Voorzitter ziet op basis van de stukken en hetgeen ter zitting hierover naar voren is gebracht geen aanleiding om over deze gronden van verzoekers anders te oordelen dan de Voorzitter bij de uitspraak van 6 augustus 2004 heeft gedaan.
De Voorzitter acht het voorts aannemelijk dat het akoestisch onderzoek – waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 september 2004 – onder representatieve omstandigheden heeft plaatsgevonden. Uit het rapport blijkt dat de geluidgrenswaarden die in voorschrift 1.1.1 van de Bijlage behorende bij het Besluit zijn gesteld, niet worden overschreden. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat hij niet bevoegd is om met bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden.
2.5.    Gezien het voorgaande dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Van Helvoort
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005
361.