ECLI:NL:RVS:2005:AS5525

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407126/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet op de stads- en dorpsvernieuwingArt. 1 Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a.Art. 2 Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a.Art. 3 Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a.
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ontheffing voor vestiging belwinkel in gebied met overlast en veiligheidsproblemen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag weigerde appellant een ontheffing voor het vestigen van een belwinkel in de Paul Krugerlaan, een gebied met bestaande overlast en veiligheidsproblemen. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de leefmilieuverordening en de bijbehorende regels het college de bevoegdheid geven ontheffing te weigeren als vestiging leidt tot achteruitgang van woon- en werkomstandigheden. Het college mocht aannemen dat de komst van een nieuwe belwinkel de reeds bestaande overlast en onveiligheid zou verergeren, mede vanwege het geldende verzamelverbod en de status van 'hot spot' van het gebied.

Appellant voerde aan dat het verzamelverbod pas na zijn aanvraag was ingesteld en dat verbetering van de situatie had plaatsgevonden, maar dit werd verworpen omdat het verzamelverbod al gold bij de beslissing op bezwaar. Ook het verzoek om ontheffing onder voorwaarden werd afgewezen omdat overlast ook overdag voorkomt en de leefmilieuverordening ook dreigende achteruitgang moet voorkomen.

Ten slotte faalde het betoog dat een andere belwinkel van appellant zonder overlast een vergelijkbare situatie zou zijn. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ontheffing voor de belwinkel wordt bevestigd.

Uitspraak

200407126/1.
Datum uitspraak: 9 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 augustus 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het college) geweigerd appellant een ontheffing te verlenen voor het vestigen van een belwinkel.
Bij besluit van 7 januari 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 27 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Meerman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing strekt een leefmilieuverordening tot wering van dreigende en tot stuiting van reeds ingetreden achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in en het uiterlijk aanzien van het bij die verordening aangewezen gebied of de daarbij aangewezen gebieden.
Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder j, van de Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a., zoals gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 1998 (hierna: de Verordening) wordt onder  belwinkel verstaan een gebouw, geheel of gedeeltelijk gebruikt om daarin door derden tegen vergoeding elektronisch berichtenverkeer, zoals (internationaal) telefoonverkeer, dan wel aanverwante activiteiten te doen plaatsvinden.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Verordening - voorzover hier van belang - is het verboden te bouwen, te werken en werkzaamheden te verrichten alsmede gronden en opstallen te gebruiken ten behoeve van belwinkels.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening kan het college van het verbod in artikel 2 ontheffing Pro verlenen, voorzover er geen sprake is van een achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in het gebied waarvoor het verbod van kracht is.
2.2.    Volgens de toelichting op de Verordening trekken belwinkels met name 's avonds veel publiek, hetgeen overlast kan veroorzaken, zodat vestiging van belwinkels in woonstraten zal worden tegengegaan. In winkelgebieden en overige gemengde gebieden kan, aldus de toelichting, vestiging onder voorwaarden, bijvoorbeeld bepaalde openingstijden, worden toegestaan.
Vaststaat dat de Paul Krugerlaan behoort tot de overige gemengde gebieden. Het college heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat geen ontheffing kan worden verleend, omdat de woon- en werkomstandigheden in het gebied reeds zodanig onder druk staan dat extra inrichtingen als de gevraagde belwinkel ontoelaatbaar zijn. Daarbij heeft het college er in de beslissing op bezwaar op gewezen dat in de Paul Krugerlaan reeds enkele belwinkels gevestigd zijn, dat ter plaatse een verzamelverbod geldt om de hinderlijke gevolgen van de handel in en het gebruik van harddrugs op straat tegen te gaan en dat dit gebied voorts is aangemerkt "hot spot", dat wil zeggen behorend tot de 27 meest onveilige plekken in de stad.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid kon aannemen dat de toeloop in de avonduren naar een nieuwe belwinkel voor het woon- en werkklimaat meer overlast zal (kunnen) betekenen en daarmee de leefomstandigheden in en rond de Paul Krugerlaan verder negatief zal (kunnen) beïnvloeden.
2.3.    Appellant betwist de gestelde achteruitgang in de leefomstandigheden als gevolg van vestiging van de belwinkel, aangezien zijns inziens de drugsoverlast inmiddels sterk is verminderd en ook de veiligheid is verbeterd. Met het verzamelverbod had volgens appellant geen rekening kunnen worden gehouden, aangezien dit dateert van na de aanvraag, en het niet zo kan zijn dat het college met een na de aanvraag genomen besluit met terugwerkende kracht appellants aanvraag kan dwarsbomen. De rechtbank heeft een en ander volgens appellant miskend.
2.4.    Dit betoog slaagt niet. Voor dit geding is bepalend de situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar. Vaststaat dat op dat moment voor de Paul Krugerlaan een verzamelverbod gold. Er is geen grond voor het oordeel dat dit verbodsbesluit zou zijn genomen met het oog op de afhandeling van de aanvraag van appellant. Het verzoek van de politie om het reeds in de buurt geldende verzamelverbod uit te breiden naar de Paul Krugerlaan dateert overigens ook al van voor die aanvraag.
Dat na de beslissing op bezwaar een verbetering in de leefomstandigheden zou zijn opgetreden – hetgeen door het college wordt betwist -, is voor het onderhavige geding niet relevant.
2.5.    Appellant betoogt voorts dat het college had moeten onderzoeken of een ontheffing onder voorwaarden had kunnen worden verleend, aangezien hij zich bereid getoond heeft om overlast als gevolg van samenloop bij de belwinkel te voorkomen door de te vestigen belwinkel reeds om 20.00 uur te sluiten.
2.6.    Dit betoog faalt evenzeer. Het college heeft erop gewezen dat zich in het gebied ook overdag overlast voordoet, onder meer als gevolg van op straat rondhangende jongeren. Deze overlast zal door de komst van nog een belwinkel, waarbij zich vaak buiten wachtende mensen ophouden, naar verwachting verergeren, aldus het college. De Afdeling ziet, gelet op de stukken, waaronder het reeds genoemde verzamelverbod, geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Aangezien de Verordening ook bedoeld is om de dreigende achteruitgang van woon- en werkomstandigheden af te wenden, heeft het college de gevreesde overlast niet met op deze belwinkel toegespitst onderzoek behoeven te onderbouwen.
2.7.    Ten slotte betoogt appellant dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de bijzondere omstandigheid dat appellant een belwinkel op een andere locatie exploiteert zonder dat dit overlast geeft.
2.8.    Ook dit betoog faalt. Niet gebleken is dat de andere door appellant geëxploiteerde belwinkel zich bevindt in een gebied waarin sprake is van dezelfde omstandigheden als die welke zich in en rond de Paul Krugerlaan voordoen. Het achterwege blijven van overlast bij de andere belwinkel heeft derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op zichzelf geen betekenis voor het onderhavige geval, zodat het college daaraan terecht voorbijgegaan is.
2.9.    Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haverkamp
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005
306.