ECLI:NL:RVS:2005:AS6180

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500197/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 1.1 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen revisievergunning voor drukkerij transferpapier wegens één inrichting

Bij besluit van 24 november 2004 verleende het college van burgemeester en wethouders van Brummen een revisievergunning aan vergunninghoudster voor het drukken van transferpapier in rotatiezeefdruk op een locatie nabij een aangrenzend bedrijf. Verzoeker stelde dat beide bedrijven samen één inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer en dat dit niet juist was erkend door verweerder.

De Voorzitter stelde vast dat de twee bedrijven op één terrein liggen zonder fysieke afscheiding, gebruikmaken van dezelfde gas- en elektriciteitsaansluiting en dat vergunninghoudster gebruikmaakt van faciliteiten van het aangrenzende bedrijf. Hoewel het om aparte rechtspersonen gaat, behoren zij tot dezelfde groep en worden centraal aangestuurd.

Gezien deze technische, organisatorische en functionele bindingen achtte de Voorzitter het aannemelijk dat de Afdeling in de bodemprocedure het besluit zal vernietigen wegens strijd met artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Daarom werd het besluit geschorst en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de revisievergunning is geschorst wegens het aannemelijke oordeel dat sprake is van één inrichting.

Uitspraak

200500197/2.
Datum uitspraak: 8 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Brummen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2004, kenmerk 03.004883, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het drukken van transferpapier in rotatiezeefdruk gelegen aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 2 december 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 7 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. D. Broersma, advocaat te Zutphen, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. E. Koning, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Op 2 december 1992 heeft verweerder een vergunning verleend voor een inrichting die zowel het onderhavige als ook het naastgelegen bedrijf omvatte. Door vergunninghoudster is in december 2003 aan verweerder voor slechts een deel van de hem voordien vergunde activiteiten, namelijk het drukken van transferpapier in rotatiezeefdruk, een revisievergunning gevraagd.
2.3.    Verzoeker voert aan dat het bedrijf, zijnde een drukkerij van transferpapier in rotatiezeefdruk, met het aangrenzende bedrijf, zijnde een kalanderij en handelsonderneming, nog immer één inrichting vormt in de zin van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft dit ten onrechte miskend, aldus verzoeker.
2.4.    In artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.
2.5.    De Voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de beide, aan elkaar grenzende bedrijven op één terrein zijn gelegen en tussen beide bedrijven op het terrein geen fysieke afscheiding aanwezig is. Beide bedrijven maken gebruik van één gas- en elektriciteitsaansluiting. Bovendien maakt vergunninghoudster in de normale uitoefening van haar bedrijf gebruik van de in het aangrenzende bedrijf aanwezige kalanderij. Weliswaar is voor zowel het voeren van het onderhavige bedrijf als voor het naastgelegen bedrijf een aparte rechtspersoon opgericht, maar zij behoren toe aan dezelfde groep van bedrijven die centraal worden aangestuurd. De Voorzitter acht het aannemelijk dat de Afdeling de bindingen tussen de beide bedrijven zodanig zal oordelen dat het hier gaat om tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen hebben dat zij één inrichting vormen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. De Voorzitter verwacht dan ook dat de Afdeling in de bodemprocedure het bestreden besluit zal vernietigen wegens strijd met dit artikel.
2.6.    De Voorzitter ziet, gelet op het vorenstaande, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Aan behandeling van de overige beroepsgronden komt de Voorzitter niet toe.
2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brummen van 24 november 2004, kenmerk 03.004883;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brummen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Brummen te worden betaald aan verzoeker;
III.    gelast dat de gemeente Brummen aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Sparreboom
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2005
195-375.