ECLI:NL:RVS:2005:AS6198

Raad van State

Datum uitspraak
7 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500962/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:67 Awb
Verwijzingen
18 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Raad van State inzake beroep tegen vaststelling uitslag referendum Soest

Op 19 januari 2005 vond in de gemeente Soest een referendum plaats over een besluit van de gemeenteraad van 3 juni 2004 betreffende de toepassing van artikelen uit de Wet voorkeursrecht gemeenten. Het centraal stembureau stelde de uitslag van het referendum vast en maakte dit op 26 januari 2005 bekend via aanplakking en publicatie in de Soester Courant, waarbij werd vermeld dat het referendum geen raadgevende uitspraak tot afwijzing was.

Appellant stelde tegen deze vaststelling beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 7 februari 2005. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 3 juni 2004 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Tijdelijke referendumwet, waardoor deze wet niet van toepassing is. De gemeentelijke verordening kan niet afwijken van de wettelijke bepalingen omtrent de rechtsgang.

Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en bepaalde dat het beroepschrift als bezwaarschrift bij het centraal stembureau moet worden behandeld. Omdat het centraal stembureau onjuiste informatie had verstrekt over de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling, gelastte de Afdeling dat de gemeente Soest het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitspraak

200500962/1.
Datum uitspraak: 7 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het centraal stembureau van de gemeente Soest,
verweerder.
1. Procesverloop
Door middel van zowel aanplakking op het aanplakbord aan het raadhuis als publicatie in de Soester Courant op 26 januari 2005 heeft verweerder (hierna: het centraal stembureau) kennis gegeven van de vaststelling van de uitslag van het referendum, gehouden over het besluit van de gemeenteraad van Soest van 3 juni 2004 en daarbij vermeld dat deze niet geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing.
Hiertegen heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2005.
Bij brief van 3 februari 2005 heeft het centraal stembureau een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.
Bij brief van 4 februari 2005 heeft het centraal stembureau nadere stukken ingediend.
De Afdeling, samengesteld uit mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, heeft de zaak, in aanwezigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat, ter zitting behandeld op 7 februari 2005, waar appellant in persoon, en het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. K.C.P. Haagen, J.T.J. Pot en mr. M. Schadé, zijn verschenen.
Bij mondelinge uitspraak, gedaan op diezelfde dag, heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van het beroep van appellant kennis te nemen en gelast dat de gemeente Soest aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening op het correctief raadgevend referendum van de gemeente Soest (hierna: de Verordening) kan, behoudens de onderwerpen waarover uit hoofde van de Tijdelijke referendumwet (hierna ook: de Trw) een referendum kan worden gehouden of waarover een referendum op grond van artikel 8, derde lid, van de Trw is uitgesloten, over alle besluiten van de raad indien en voorzover dat niet op grond van de Trw of deze verordening is uitgesloten een referendum worden gehouden. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening zijn op een referendum als hiervoor bedoeld in artikel 3, de bepalingen van de Trw die zijn opgenomen voor een gemeentelijke referendum als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van die wet van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze verordening niet anders is bepaald.
Bij besluit van 3 juni 2004 heeft de gemeenteraad op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten de artikelen 10-24, 26 en 27 van deze wet op de gronden ter weerszijden van de Amersfoortsestraat van toepassing verklaard. Over dit besluit is in de gemeente Soest op 19 januari 2005 een referendum gehouden, waarvan de uitslag door het centraal stembureau op 19 januari 2005 is vastgesteld. Bij de kennisgeving daarvan heeft het centraal stembureau vermeld dat belanghebbenden tegen de vaststelling van de uitslag van het referendum beroep kunnen instellen door binnen zes dagen na deze publicatie een beroepschrift in te dienen bij de Afdeling.
Het besluit van 3 juni 2004 is geen besluit, als bedoeld in artikel 8 van Pro de Trw. De Tijdelijke referendumwet is dan ook niet van toepassing. Weliswaar bepaalt artikel 4, eerste lid, van de Verordening dat de bepalingen van de Trw van overeenkomstige toepassing zijn op een referendum, zoals thans aan de orde, doch de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad strekt niet zover dat hij op grond daarvan bevoegd is een van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), artikel 7:1, eerste lid, van die wet en artikel 6:7 daarvan Pro, in onderlinge samenhang gelezen, afwijkende rechtsgang open te stellen. De Afdeling is dan ook onbevoegd in eerste en enige aanleg van het beroep van appellant kennis te nemen. Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb worden doorgezonden aan het centraal stembureau, ter behandeling als bezwaarschrift. In dat verband verstaat de Afdeling dat het centraal stembureau van de vaststelling van de uitslag van het referendum opnieuw kennis zal geven.
Nu het centraal stembureau bij kennisgeving op 26 januari 2004 ten onrechte heeft vermeld dat beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld en in zoverre onjuiste informatie heeft verstrekt, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te gelasten dat de gemeente Soest aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
w.g. Van der Meer    w.g. Van Loon
Voorzitter    ambtenaar van Staat
284-435.