ECLI:NL:RVS:2005:AS6210

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410200/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8.10 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen revisievergunning agrarisch bedrijf

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden een revisievergunning verleend aan een vergunninghoudster voor een agrarisch bedrijf op een perceel te een plaats. Deze vergunning maakt het mogelijk om 80 stuks rundvee te houden. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd.

De Voorzitter heeft het verzoek behandeld op 3 februari 2005, waarbij partijen zijn gehoord. Het belangrijkste bezwaar van verzoeker was dat de vergunninghoudster niet over het gebruiksrecht van het perceel zou beschikken. De Voorzitter overweegt dat dit een privaatrechtelijke kwestie betreft en geen rol speelt bij de beoordeling van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer.

Verder heeft verzoeker geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere weerlegging van bedenkingen tegen het ontwerpbesluit onjuist maken. Gezien het ontbreken van milieubelangen die een weigering van de vergunning rechtvaardigen, ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 11 februari 2005 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de revisievergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200410200/2.
Datum uitspraak: 11 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Coevorden,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 4 november 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2005, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Thole en ing. M. van der Veen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een landbouw- en loonbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Op grond van de vergunning mogen in de inrichting 80 stuks rundvee worden gehouden. Voor de oprichting van de inrichting is eerder op 2 mei 1995 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend.
2.3.    Verzoeker heeft als belangrijkste bezwaar aangevoerd dat het perceel waarop de vergunning ziet niet door vergunninghoudster kan worden gebruikt, aangezien het gebruikrecht hiervan bij hem berust.
Daargelaten de juistheid van deze stelling overweegt de Voorzitter dat de vraag of een vergunningaanvrager al dan niet beschikt over het gebruiksrecht van een perceel een privaatrechtelijke kwestie betreft, die geen rol speelt bij de beoordeling of een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend. Op grond van artikel 8.10, eerste lid, van die wet kan de vergunning slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Er bestaat in zoverre geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.    Voor het overige heeft verzoeker zich beperkt tot een verwijzing naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Verzoeker heeft geen redenen aangegeven waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zouden zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.
2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen    w.g. Van Gemert
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2005
243.