ECLI:NL:RVS:2005:AS6219

Raad van State

Datum uitspraak
16 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405025/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
  • R. van Heusden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid en ongegrondverklaring van beroep inzake lozings- en aansluitvergunningen door de Raad van State

In deze zaak heeft de Raad van State op 16 februari 2005 uitspraak gedaan over een beroep dat was ingesteld door het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tegen besluiten van het Hoogheemraadschap Rijnland. Het betreft een lozingsvergunning voor het lozen van met regenwater verdund rioolwater en licht verontreinigd hemelwater in oppervlaktewater, en een aansluitvergunning voor de aansluiting van de openbare riolering op de afvalwaterzuiveringsinstallatie. De lozingsvergunning werd verleend op 19 april 2004, terwijl de aansluitvergunning op 19 januari 2004 werd verleend. Appellant heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld, maar de Raad van State constateerde dat zij onbevoegd was om te oordelen over de aansluitvergunning, omdat deze niet onder de relevante wetgeving viel. Het beroep met betrekking tot de lozingsvergunning werd ongegrond verklaard, omdat appellant niet tijdig gronden had aangevoerd tegen het besluit. De Raad van State oordeelde dat de gronden die later werden ingediend in strijd waren met de goede procesorde, en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening van beroepsgronden en de bevoegdheden van de Raad van State in bestuursrechtelijke zaken.

Uitspraak

200405025/1.
Datum uitspraak: 16 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,
appellant,
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Rijnland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2004, kenmerk 03.12223/V.36808, heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren onder meer aan appellant een vergunning verleend (hierna: de lozingsvergunning) voor het lozen van met regenwater verdund rioolwater en licht verontreinigd hemelwater in oppervlaktewater, te weten de Dinsdagsche watering (De Schie), de Woensdagsche watering en het polderwater binnen de bebouwde kom van Noordwijk. Dit besluit is op 6 juni 2004 ter inzage gelegd.
Bij besluit van 19 januari 2004, kenmerk 03.12221/V36807, heeft verweerder onder meer krachtens de Aansluitverordening Rijnland 1997 aan de gemeente Noordwijk een vergunning verleend (hierna: de aansluitvergunning) voor het aansluiten van de openbare riolering van de gemeente Noordwijk op de afvalwaterzuiveringsinstallatie Noordwijk, het zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Hoogheemraadschap Rijnland, en het brengen van afvalwater hierin.
Tegen deze besluiten heeft appellant bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 20 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan verweerder toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.M.P. Capelle, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.P.C. van Mameren en ir. W. Dijkstra, ambtenaren van het hoogheemraadschap, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Voor zover het beroep betrekking heeft op de door verweerder bij het bestreden besluit van 19 januari 2004 verleende aansluitvergunning krachtens de Aansluitverordening Rijnland 1997, constateert de Afdeling dat zij onbevoegd is om in eerste en enige aanleg op een dergelijk beroep te beslissen, nu dit besluit niet krachtens een van de in het derde lid van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer genoemde wetten is genomen. Uit de stukken blijkt dat appellant tegen het besluit bezwaar heeft gemaakt, zodat doorzending van het beroep in zoverre achterwege kan worden gelaten.
2.2.    Het beroepschrift van appellant bevat wat betreft het besluit van 19 april 2004 krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, behoudens een verwijzing naar het bezwaarschrift tegen de door verweerder verleende aansluitvergunning, geen gronden. De Afdeling heeft appellant tot en met 19 juli 2004 in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep alsnog aan te voeren. Binnen deze termijn heeft appellant hiervan geen gebruik gemaakt. Eerst bij nadere memorie van 8 december 2004 heeft appellant nadere gronden ingediend tegen de bij het bestreden besluit van 19 april 2004 verleende lozingsvergunning. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit van 19 april 2004.
In de gronden, opgenomen in appellants bezwaarschrift tegen de aansluitvergunning, kan evenmin aanleiding worden gezien het bestreden besluit van 19 april 2004 te vernietigen.
2.3.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voorzover het de aansluitvergunning betreft, en is het beroep, voorzover het de lozingsvergunning betreft, ongegrond.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen voorzover het de aansluitvergunning betreft;
II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Van Heusden
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005
163-433.