ECLI:NL:RVS:2005:AS6230
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- C.H.M. van Altena
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Weigering ontheffing ligplaats meerdere schepen rivier de Noord
Appellante verzocht om een ontheffing voor het innemen van ligplaats voor meerdere schepen aan een kade van 430 meter in een inkassing van de rivier de Noord. De hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat weigerde deze ontheffing, wat door de rechtbank Utrecht werd bevestigd. Appellante stelde dat het belang van vlotte scheepvaart niet opnieuw meegewogen mocht worden en dat onvoldoende was gemotiveerd dat onveilige of hinderlijke situaties te vrezen waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het belang van vlotte scheepvaart mede aspecten van veiligheid en hinder omvat en dat dit terecht is meegewogen. De rivier de Noord is een hoofdtransportas met een minimale breedte van 217 meter, terwijl ter plaatse slechts 210 meter beschikbaar is. De gevraagde ligplaats zou leiden tot aanzienlijke snelheidsvermindering van passerende schepen over een lange kade, wat de vlotheid negatief beïnvloedt.
Appellante heeft onvoldoende concrete onderzoeksresultaten aangevoerd om dit te weerleggen. Ook is geen reden gezien om aan te nemen dat ontheffing onder voorwaarden mogelijk was. De Afdeling bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ontheffing bevestigd.