Uitspraak
200203938/1, merkt de Voorzitter op dat niet uitgesloten is dat de in de onderhavige brijvoerinstallatie gebruikte bijproducten als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie zijn aan te merken en als zodanig vallen onder categorie Q8 van bijlage I van de Richtlijn. In het geval niet is beoogd deze bijproducten te produceren als veevoeder, waarover van de zijde van verweerder ter zitting geen duidelijkheid kon worden verschaft, moet worden geoordeeld dat de leveranciers van deze bijproducten zich van deze producten ontdoen of moeten ontdoen, in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn en dat de bijproducten daarom zijn aan te merken als een afvalstof. Voorzover de onderhavige inrichting in dat geval tevens over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet genoemd zijn in categorie 28.4, onder a, sub 1 tot en met 5, van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen, volgt uit artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en niet verweerder het ten aanzien van de onderhavige inrichting bevoegde gezag is. In dat geval dient ook door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op het aan het besluit van 28 april 2004 ten grondslag liggende verzoek van appellant te worden beslist. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2000, no. 199902663, is in dit opzicht niet (langer) relevant. Het besluit van 28 april 2004, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is in dit opzicht in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.