Uitspraak
200403933/1, in rechte onaantastbaar geworden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer legde appellant een last onder dwangsom op om de opslag van niet-agrarische goederen en de aangebrachte oppervlakteverharding op een perceel in het agrarisch gebied te beëindigen en te verwijderen. Appellant voerde onder meer aan dat de verharding niet ongeschikt was voor agrarisch gebruik en dat er uitzicht was op legalisatie vanwege toekomstige agrarische plannen.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen agrarisch bedrijf uitoefende maar een transport- en aannemersbedrijf, en dat de verharding in strijd was met het bestemmingsplan. Ook het beroep op overgangsrecht en het toekomstig agrarisch gebruik faalden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat handhavend optreden in het algemeen geboden is bij overtreding van wettelijke voorschriften, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen.
Omdat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die handhaving onredelijk maken, is het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.