Uitspraak
200402405/1, echter overwogen dat uit het systeem van de Wet milieubeheer volgt dat een onderliggende vergunning als bedoeld in de tweede volzin van artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer pas vervalt wanneer een vervangende vergunning als bedoeld in de eerste volzin van deze bepaling zowel onherroepelijk is geworden als in werking is getreden. Gelet hierop was ten tijde van het nemen van het dwangsombesluit van 15 december 2003 de door het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen op 19 januari 1996 verleende vergunning voor de onderhavige inrichting nog van kracht. Vaststaat dat de litigieuze opslag en bewerking van compost niet door deze vergunning worden gedekt. Verweerder was derhalve bevoegd om handhavend op te treden op grond van overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, dat verbiedt om de werking van een inrichting zonder vergunning te wijzigen. Voor zover appellanten betogen dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden, slaagt het beroep dus niet.