ECLI:NL:RVS:2005:AS8420
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.A.A.M. Boot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit college Putten inzake handhaving mos- en groenhandel wegens onvoldoende motivering
Het college van burgemeester en wethouders van Putten wees het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van een mos- en groenhandel af. De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college het voorschrift van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet correct heeft toegepast, omdat de motivering van het besluit op bezwaar onvoldoende is.
Het perceel heeft de bestemming 'Agrarische doeleinden IV', waarbij het gebruik voor mos- en groenhandel in strijd is met het bestemmingsplan. Hoewel het college stelde dat er sprake was van bijzondere omstandigheden, zoals het streven naar legalisatie en geringe hinder, constateert de Afdeling dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat en dat de aard van de activiteiten (op- en overslag, transport met grote vrachtauto's, ook 's nachts) niet gelijkgesteld kan worden met agrarisch gebruik.
Daarnaast heeft het college geen onderzoek gedaan naar de door appellanten gestelde hinder en overlast van transportbewegingen en laad- en loswerkzaamheden. Hierdoor is de weigering tot handhaving niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en gelast het college een nieuwe beslissing te nemen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat nadere besluitvorming vereist is.
Uitkomst: Het besluit van het college van Putten om niet handhavend op te treden tegen de mos- en groenhandel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college moet een nieuwe beslissing nemen.