ECLI:NL:RVS:2005:AS9253

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407094/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WoningwetArt. 40 lid 1 WoningwetArt. 76 BouwbesluitArt. 83 BouwbesluitArt. 84 Bouwbesluit
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake aanschrijving tot treffen voorzieningen en beëindiging onzelfstandige bewoning

Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar heeft appellant bij besluit van 16 oktober 2002 op grond van artikel 14 van Pro de Woningwet aangesproken en onder dwangsom gelast binnen bepaalde termijnen voorzieningen te treffen aan een pand en de onzelfstandige bewoning te beëindigen.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Alkmaar oordeelde vervolgens dat het beroep van appellant tegen de aanschrijving inzake de overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet gegrond was en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen, terwijl het beroep voor het overige ongegrond werd verklaard.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de behandeling trok appellant zijn beroepsgrond inzake de overtreding van artikel 40 Woningwet Pro in. De Raad van State oordeelde dat het pand moest voldoen aan het op het moment van de aanschrijving geldende Bouwbesluit en dat het college terecht geen ontheffing kon verlenen van de daarin opgenomen bepalingen.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200407094/1.
Datum uitspraak: 9 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) appellant op grond van artikel 14 van Pro de Woningwet aangeschreven, en onder oplegging van een dwangsom gelast, binnen acht maanden na 18 oktober 2002 een aantal nader omschreven voorzieningen te treffen aan het pand op het perceel [locatie] (hierna: het pand). Verder heeft het college appellant bij dat besluit onder oplegging van een dwangsom gelast binnen vier maanden na 18 oktober 2002 de overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet ongedaan te maken en de onzelfstandige wijze van bewoning van het pand te beëindigen.
Bij besluit van 23 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2004, verzonden op 13 juli 2004, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep, voorzover het is gericht tegen de aanschrijving betreffende de overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en het beëindigen van de onzelfstandige bewoning, gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 25 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A. van het Ende, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant heeft zijn beroepsgrond terzake van het oordeel van de rechtbank over de overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet ter zitting ingetrokken.
2.2.    Aan de in de beslissing op bezwaar gehandhaafde aanschrijving tot het treffen van voorzieningen ingevolge artikel 14 van Pro de Woningwet ligt ten grondslag dat het pand niet voldoet aan de eisen voor bestaande woningen en woongebouwen als gesteld in de artikelen 76, 83, 84, 92, 98 en 100 van het Bouwbesluit, zoals dat gold vóór 1 januari 2003.
Het betoog van appellant dat het pand bij aankoop ervan voldeed aan het voorheen geldende Bouwbesluit doet, wat daarvan ook zij, er niet aan af dat het pand, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, moet voldoen aan de eisen die het ten tijde van de aanschrijving geldende Bouwbesluit stelt aan bestaande woningen. Dit betoog faalt derhalve.
2.3.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft nagelaten te onderzoeken of ontheffing kon worden verleend van de bepalingen in het Bouwbesluit die aan de aanschrijving ten grondslag zijn gelegd. Daartoe voert hij aan dat de afwijkingen van het Bouwbesluit van ondergeschikte aard zijn en de kosten van de te treffen voorzieningen in geen verhouding staan tot de bouwkundige voordelen ervan.
Ook dit betoog faalt. Het Bouwbesluit kent geen mogelijkheid ontheffing te verlenen van de voor bestaande woningen en woongebouwen geldende bepalingen waarop de aanschrijving gebaseerd is. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het ingevolge artikel 14 van Pro de Woningwet verplicht was appellant aan te schrijven de noodzakelijke voorzieningen te treffen. Dat die voorzieningen in de ogen van appellant in bouwkundige zin nauwelijks een verandering opleveren doet hieraan niet aan af. Het oordeel van de rechtbank is derhalve juist.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Boermans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005
429-58.