ECLI:NL:RVS:2005:AS9258

Raad van State

Datum uitspraak
3 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500699/1 en 200500699/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • M.Z.C. Koutstaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Erkenningsregeling APKArt. 44 Erkenningsregeling APKArt. 45 lid 5 onder e Erkenningsregeling APKArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking keuringsbevoegdheid door RDW wegens niet-naleving Erkenningsregeling APK

Appellant kreeg bij afzonderlijke besluiten van de RDW de keuringsbevoegdheid en erkenning voor periodieke keuringen van voertuigen tot 3500 kg voor zes respectievelijk negen weken ingetrokken vanwege het niet gebruiken van voorgeschreven apparatuur bij een keuring op 17 augustus 2004.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de RDW in redelijkheid tot het sanctiebeleid had kunnen besluiten en dat de opgelegde maatregelen niet onevenredig waren. Appellant voerde aan dat de gebruikte apparatuur even goed was, maar dit werd verworpen omdat alleen voorgeschreven apparatuur is toegestaan.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarbij tevens werd vastgesteld dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat geen proceskostenveroordeling werd opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de keuringsbevoegdheid van appellant door de RDW en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

200500699/1 en 200500699/2.
Datum uitspraak: 3 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 11 januari 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 7 oktober 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellant verleende keuringsbevoegdheid, onderscheidenlijk de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg, voor de duur van zes, onderscheidenlijk negen, weken ingetrokken.
Bij afzonderlijke besluiten van 3 december 2004 heeft de RDW de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 januari 2005, verzonden op 18 januari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. T.M. van Gorsel, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam voor die dienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft bij de keuring van het voertuig met het kenteken […] op 17 augustus 2004 geen gebruik gemaakt van een goedgekeurde wijze om de remvertraging van een voertuig dat is voorzien van een permanente aandrijving op meer van één as te bepalen. De door appellant verrichte keuring was om die reden onvolledig en appellant heeft, door niet de voorgeschreven apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar te stellen, hieraan niet alle medewerking verleend. Aldus heeft hij gehandeld in strijd met de artikelen 43, 44 en 45, vijfde lid, aanhef en onder e, van de Erkenningsregeling APK, zodat de RDW tot het opleggen van een sanctie kon besluiten. Dat, naar appellant stelt, de remvertraging van het voertuig even goed of zelfs beter gekeurd kon worden met toepassing van de door hem gebruikte apparatuur, dan met de voorgeschreven aangepaste rollenremtestbank, maakt dat niet anders. Het is niet toegestaan andere dan de voorschreven apparatuur voor de keuring te gebruiken.
2.2. De voorzieningenrechter heeft terecht in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de RDW in redelijkheid niet tot het gevoerde sanctiebeleid heeft kunnen besluiten of dat dat beleid anderszins rechtens onaanvaardbaar is. Bij het vaststellen van dit beleid is in algemene zin rekening gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders en keurmeesters, alsmede met hun staat van dienst. Niet is aangevoerd dat de bij de bestreden besluiten opgelegde sancties niet met dit beleid stroken. Voorts heeft appellant geen bijzondere omstandigheden gesteld die de RDW ertoe noopten te onderzoeken of in afwijking van het beleid moest worden beslist.
Gelet op het vorenoverwogene, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden om de opgelegde maatregelen onevenredig zwaar te achten in verhouding tot de ernst van de geconstateerde overtredingen.
2.3. In dit geval kan nader onderzoek niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Koutstaal
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005