ECLI:NL:RVS:2005:AS9259

Raad van State

Datum uitspraak
3 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500841/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • A.M. van Meurs-Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Monumentwet 1988Art. 16, zevende lid, Monumentwet 1988Art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening opheffing opschorting vergunning Pakhuis Afrika Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 30 maart 2004 een vergunning voor het veranderen van het gebouw Oostelijke Handelskade 19 te Amsterdam, bekend als Pakhuis Afrika. De Vereniging Eeuwigh Gaat Voor Oogenblick maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen. Vervolgens stelde de vereniging beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die het beroep ongegrond verklaarde en tevens het verzoek van Heijmans Vastgoed B.V. om opheffing van de opschorting van de vergunning toewijst.

De vereniging stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde dit verzoek en oordeelde dat de opschorting van de vergunning op grond van artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 van rechtswege geldt zolang niet op het hoger beroep is beslist. De door de voorzieningenrechter getroffen voorziening veranderde hier niets aan.

De Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de gemeentelijke Commissie van Welstand en Monumenten hadden positief geadviseerd over het bouwplan. Er was geen bewijs van belangenverstrengeling of onzorgvuldigheid in deze adviezen. De door de vereniging ingebrachte deskundigenrapporten konden het college niet bewegen anders te oordelen. De Voorzitter achtte het belang van verzoekster bij spoedige uitvoering voldoende aannemelijk en besloot de opschorting van de vergunning op te heffen, ondanks mogelijke onherstelbare gevolgen voor het monument.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De voorlopige voorziening werd uitgesproken op 3 maart 2005.

Uitkomst: De opschorting van de vergunning voor het veranderen van Pakhuis Afrika is opgeheven.

Uitspraak

200500841/2.
Datum uitspraak: 3 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de besloten vennootschap Heijmans Vastgoed B.V., gevestigd te Almere, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
Vereniging Eeuwigh Gaat Voor Oogenblick, gevestigd te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2004 in het geding tussen:
Vereniging Eeuwigh Gaat Voor Oogenblick te Amsterdam
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) vergunning als bedoeld in artikel 11 van Pro de Monumentwet 1988 verleend voor het veranderen van het gebouw Oostelijke Handelskade 19 te Amsterdam (Pakhuis Afrika).
Bij besluit van 15 september 2004 heeft het college het door de Vereniging Eeuwigh Gaat Voor Oogenblick (hierna: de vereniging) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 december 2004, verzonden op 15 december 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door de vereniging ingestelde beroep ongegrond verklaard alsmede het verzoek van de besloten vennootschap Heijmans Vastgoed B.V. (hierna: verzoekster) om opheffing van de opschorting van de vergunning als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet 1988 toegewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief van 25 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 februari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Braams, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is de vereniging, vertegenwoordigd door C.F. Mol, voorzitter, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Vastgesteld moet worden dat de werking van de vergunning zolang niet is beslist op het door de vereniging ingestelde hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet 1988 van rechtswege is opgeschort. Anders dan door het college is betoogd maakt de door de voorzieningenrechter getroffen voorziening dit niet anders.
2.3.    De Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de gemeentelijke Commissie van Welstand en Monumenten hebben ter zake van het onderhavige bouwplan positief geadviseerd. De rechtbank heeft dienaangaande met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat deze adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel anderszins ondeugdelijk zijn en dat het college daarop bij het verlenen van de vergunning mocht afgaan. Hetgeen de vereniging in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van belangenverstrengeling bij de advisering door de gemeentelijke commissie. Voorts kan ook niet worden staande gehouden dat het college niet aan de door de vereniging ingebrachte deskundigenrapporten voorbij heeft kunnen gaan. De voorzieningenrechter heeft er op gewezen dat één rapport slechts ziet op de technische aspecten van de bouw en dat van het andere rapport de conclusie door de door het college geraadpleegde adviseur niet wordt gedeeld. De uiteenlopende conclusies van de deskundigen noopten het college er evenwel niet toe de aan hem uitgebrachte adviezen voor onjuist te houden.
Terecht heeft de Voorzieningenrechter verder overwogen dat de technische aspecten van het bouwplan en ook de brandveiligheid ervan aan de orde kunnen komen bij de beoordeling van de gevraagde bouwvergunning.
2.4.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de verleende vergunning geen stand zal houden. De Voorzitter acht voorts verzoeksters belang bij een spoedige uitvoering van het bouwplan voldoende aannemelijk, zodat hij, hoewel niet uitgesloten is dat het opheffen van de opschorting van de vergunning kan leiden tot onherstelbare gevolgen voor het monument, aanleiding ziet tot het toewijzen van het verzoek om opheffing van de opschortende werking van het hoger beroep.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling acht de Voorzitter geen termen aanwezig.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat de opschorting van de werking van de bij het besluit van 30 maart 2004 aan verzoekster verleende vergunning wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens    w.g. Van Meurs-Heuvel
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005
47.