ECLI:NL:RVS:2005:AS9271

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410649/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:81 AwbWet milieubeheer
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen vergunning voor kalvermesterij wegens onzorgvuldige voorbereiding geluidsonderzoek

Bij besluit van 2 november 2004 verleende het college van burgemeester en wethouders van Grootegast een vergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een kalvermesterij met 1002 mestkalveren en 12 paarden. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege vrees voor geluidsoverlast veroorzaakt door diverse activiteiten zoals transportbewegingen, ventilatoren en het geloei van kalveren.

De Voorzitter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 februari 2005. Verweerder stelde dat de meeste geluidproducerende activiteiten in de dagperiode plaatsvinden en dat het bedrijf zal voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden. Echter, er was geen akoestisch onderzoek toegevoegd aan de aanvraag en verweerder had geen eigen onderzoek verricht naar de geluidbelasting.

Gezien de nabijheid van de dichtstbijzijnde woning (circa 17 meter) en de aard van de activiteiten, met name in de avond- en nachtperiode, achtte de Voorzitter het niet uitgesloten dat de grenswaarden worden overschreden. Hierdoor werd het besluit als onzorgvuldig voorbereid beoordeeld en werd de vergunning geschorst. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoed.

Uitkomst: De vergunning voor de kalvermesterij wordt geschorst wegens onzorgvuldige voorbereiding door het ontbreken van geluidsonderzoek.

Uitspraak

200410649/2.
Datum uitspraak: 4 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvermesterij gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie […], nummer […].
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 27 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar verzoekers, bij monde van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door T.E.J. Postma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Bij het bestreden besluit is een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 1002 mestkalveren en 12 paarden.
2.3.    Verzoekers vrezen voor geluidoverlast van de onderhavige inrichting. Zij betogen dat door het geluid afkomstig van de transportbewegingen, de ventilatoren, de voervijzels, de pompen, het geloei van kalveren, het vullen van de silo's en het leegzuigen van de mestkelders de geluidgrenswaarden zullen worden overschreden.
2.3.1.    Verweerder voert aan dat, hoewel de kalvermesterij in principe een 24-uursactiviteit is, de meeste werkzaamheden, zoals het vullen van de silo's, het leegzuigen van de mestkelders, het gebruik van de pompen en het in werking zijn van de voervijzels, in de dagperiode plaatsvinden. Een aantal activiteiten vindt ook in de periode tussen 23.00 uur en 06.00 uur plaats. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat het bedrijf niet zal kunnen voldoen aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau en het piekgeluidniveau.
2.3.2.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.
In voorschrift 5.1.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie] grenswaarden gesteld van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Uit voorschrift 5.1.2 volgt dat voor het piekgeluidniveau voor de woning aan de [locatie] grenswaarden zijn gesteld van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.
2.3.3.    Uit de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, volgt dat het merendeel van de aangevraagde activiteiten in de dagperiode plaatsvinden. Voorts blijkt uit de aanvraag dat tweemaal daags in de nachtperiode de pompen en de voervijzels in werking zijn. Verder vindt in de avond- en nachtperiode één aan- en afvoerbeweging plaats met de tractor. Uit de aanvraag is voorts gebleken dat vier keer per jaar gedurende 2 uur in de nachtperiode aan- en afvoerbewegingen plaatsvinden ten behoeve van het verladen van vee. Bij de aanvraag is geen akoestisch onderzoek gevoegd.     Vaststaat dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de geluidbelasting ten gevolge van de activiteiten op de kalvermesterij en de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Verder blijkt uit de stukken dat de dichtstbijzijnde woning, de woning [locatie] van één van de verzoekers, op circa 17 meter van de grens van de inrichting is gelegen en op circa 38 meter van de inrit van de onderhavige inrichting.
Gelet op de aard van voornoemde activiteiten, met name de activiteiten die plaatsvinden in de avond- en nachtperiode alsmede de afstand tot de dichtstbijzijnde woning en in het bijzonder de hoogte van de piekgeluidgrenswaarden, is het niet zonder meer uitgesloten dat niet aan de in de onderliggende vergunning opgenomen grenswaarden kan worden voldaan. Nu verweerder heeft nagelaten hiernaar onderzoek te verrichten, is de Voorzitter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid.
2.4.    Gelet hierop ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek behoeft voor het overige geen bespreking.
2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grootegast van 2 november 2004;
II.    gelast dat de gemeente Grootegast aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Montagne
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005
374.