ECLI:NL:RVS:2005:AT0515
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C.H.M. van Altena
- S.F.M. Wortmann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen vaststelling natuurgebiedsplannen en EHS op perceelsniveau
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant stelde op 2 juli 2002 elf natuurgebiedsplannen en een beheers- en landschapsgebiedsplan vast, waarbij tevens de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) op perceelsniveau werd begrensd. Appellanten, die elk een onderneming exploiteren op gronden binnen 250 meter van een natuurgebiedsplan, voerden beroep aan tegen deze vaststellingen. Zij stelden dat de vaststelling van de natuurgebiedsplannen en de EHS hun toekomstige bedrijfsvoering zou belemmeren.
De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde de beroepen grotendeels ongegrond en niet-ontvankelijk. De appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellanten geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan de gebiedsplannen en niet rechtstreeks in hun belang worden getroffen. De vaststelling van de gebiedsplannen wijzigt immers niet de planologische bestemming van de gronden.
Daarom verklaarde de Raad van State de beroepen niet-ontvankelijk, vernietigde de uitspraken van de rechtbank en bepaalde dat het door appellanten betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beroepen tegen de vaststelling van de EHS op perceelsniveau, voor zover deze niet onder de Wet ammoniak en veehouderij vallen, werden niet behandeld.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen de vaststelling van natuurgebiedsplannen en de EHS worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn.