ECLI:NL:RVS:2005:AT0529

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200409859/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • I. Sluiter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning garage-berging

Het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout verleende op 30 maart 2004 een bouwvergunning voor het oprichten van een garage-berging op een perceel te Oosterhout. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college op 17 augustus 2004 ongegrond werd verklaard.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verklaarde het beroep van verzoekers gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarna het college een nieuw besluit moest nemen. Verzoekers stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 24 februari 2005 en concludeerde dat er geen reden was om aan te nemen dat de vergunning onrechtmatig was of dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet in stand zou blijven. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 10 maart 2005.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200409859/2.
Datum uitspraak: 10 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], beiden wonend te Oosterhout,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 22 oktober 2004 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage-berging op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Oosterhout.
Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het college het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 oktober 2004, verzonden op 25 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2005. Bij brief van 27 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de voorzieningenrechter, het door verzoekers gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en de verleende bouwvergunning gehandhaafd.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 17 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2004, beroep ingesteld.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 februari 2005, waar verzoekers in persoon, bijgestaan door mr. R.M. van Bemmel, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door H.J.J.M. Hoppenbrouwers en M.M. Borgwit, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon, bijgestaan door mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend.
In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat zal blijken dat de bouwvergunning niet mocht worden verleend.
2.3.    Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens    w.g. Sluiter
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005
292.