ECLI:NL:RVS:2005:AT0547
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- J.H.B. van der Meer
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit herziening subsidie-ineens voor woningverbetering in Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende op 24 februari 1999 een bijdrage-ineens van ƒ 70.698,00 (€ 32.081,35) aan appellante voor woningverbetering. Later werd deze bijdrage bij besluit van 18 januari 2002 herzien en vastgesteld op € 14.476,00, omdat niet alle werkzaamheden waren uitgevoerd en appellante niet langer gebonden wilde zijn aan de samenwerkingsovereenkomst met de Stichting Woningverbetering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat bepaalde kosten ten onrechte waren betrokken bij de vaststelling van de goedgekeurde kosten. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat het college bij het vaststellen van de bijdrage-ineens slechts de subsidiabele kosten mag betrekken en dat het college geen invloed heeft op de rechtsverhouding tussen appellante en derden. Kosten zoals vertragingskosten zijn niet subsidiabel volgens de Subsidieverordening. De rechtbank heeft de zaak terecht afgewezen, al waren de gronden niet volledig juist geformuleerd.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot herziening van de bijdrage-ineens en verklaart het hoger beroep ongegrond.