ECLI:NL:RVS:2005:AT0555
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over vergunning afschot reebokken en bevoegdheid Minister
De zaak betreft een vergunning verleend door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het jaarlijks afschieten van 75 reebokken in een beheergebied in verschillende gemeenten. De stichting De Faunabescherming maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door de Staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de stichting gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de vergunning is verleend op basis van de Jachtwet, die per 1 april 2002 is vervangen door de Flora- en faunawet. De vergunning bleef krachtens artikel 114 van Pro die wet van kracht, maar de bevoegdheid tot besluitvorming is overgegaan naar het college van gedeputeerde staten. De Raad oordeelt dat de Minister terecht heeft verklaard niet bevoegd te zijn om op het bezwaar te beslissen en het dossier heeft doorgezonden.
Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vergunning onvoldoende is gemotiveerd. De draagkracht van het gebied van 400 reeën is niet onderbouwd en strookt niet met het advies van gedeputeerde staten dat uitgaat van circa 500 reeën. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat het afschot noodzakelijk is vanwege verkeersveiligheid of belangrijke schade aan gewassen. Het beroep tegen het besluit van 9 september 2003 wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.