ECLI:NL:RVS:2005:AT2781
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nadeelcompensatie na dijkversterkingswerkzaamheden
Appellanten verzochten het college van dijkgraaf en hoogheemraden om nadeelcompensatie wegens schade die zij zouden hebben geleden door dijkversterkingswerkzaamheden. Het college wees dit verzoek af, waarna appellanten bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het college zich terecht had gebaseerd op het advies van een commissie bestaande uit onafhankelijke deskundigen. Het betoog van appellanten dat de commissie niet onafhankelijk zou zijn vanwege een lid dat ook in andere hoedanigheden voor het college werkte, werd verworpen. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank terecht geen gevolgen verbond aan de vermeende noodzaak van verhuizing van het pand en dat de waardering van het pand correct was vastgesteld.
De Raad van State bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van nadeelcompensatie bevestigd.