ECLI:NL:RVS:2005:AT2786

Raad van State

Datum uitspraak
30 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406410/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • E.J. Nolles
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WoningwetArt. 4.1 gemeentelijke bouwverordening
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bouwvergunning recreatiewoning wegens niet tijdig starten bouw

Het college van burgemeester en wethouders van Lochem trok bij besluit van 23 december 2002 de eerder verleende bouwvergunning voor het oprichten van een recreatiewoning op een perceel in recreatiepark Ruighenrode in, omdat niet binnen de in de gemeentelijke bouwverordening gestelde termijn van 26 weken met de bouw was begonnen.

Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd door het college ongegrond verklaard. De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking eveneens ongegrond. Appellante stelde dat de bouwvergunning op een andere kavel mocht worden benut en dat er een toezegging was gedaan door een ambtenaar, maar deze argumenten werden door de rechtbank en de Raad van State verworpen.

De Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was de bouwvergunning in te trekken omdat niet binnen de termijn met de bouw was gestart en dat de vergunning niet overdraagbaar was naar een andere kavel zonder een nieuw besluit. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 30 maart 2005.

Uitkomst: De intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

200406410/1.
Datum uitspraak: 30 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 juni 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Lochem.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) de bij besluit van 16 maart 2001 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een recreatiewoning van circa 720 m3 op het perceel, kadastraal bekend gemeente Lochem, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend voormalig 'hertenparkje' op recreatiepark Ruighenrode, [locatie] te Lochem (hierna: het perceel) ingetrokken.
Bij besluit van 1 juli 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juni 2004, verzonden op 21 juni 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.J. van Zwieten de Blom, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door B.G. van der Zwaag, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet kan het college van burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. In artikel 4.1 van de gemeentelijke bouwverordening is deze termijn bepaald op 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning.
2.2.    Vaststaat dat niet binnen de in de bouwverordening gestelde termijn van 26 weken met de bouw van de recreatiewoning is begonnen. Het college was derhalve bevoegd de bouwvergunning in te trekken. Voorts staat vast dat het college voor de oprichting van een kleinere recreatiewoning op het perceel bij besluit van 8 februari 2002 bouwvergunning heeft verleend en dat dat bouwplan is uitgevoerd. De rechtbank heeft dan ook, anders dan appellante heeft betoogd, met juistheid overwogen dat van de verleende bouwvergunning geen gebruik meer kon worden gemaakt. Het betoog van appellante dat de bouwvergunning op een andere kavel van het recreatiepark mocht worden benut, faalt. De bouwvergunning is afgegeven voor het in de vergunning aangegeven perceel en niet voor de door appellante bedoelde kavel. De vergunning verschafte appellante, ook indien deze niet was ingetrokken, niet de bevoegdheid het bouwplan op die andere kavel uit te voeren. Bovendien ontbreekt een besluit van het college tot wijziging van de verleende bouwvergunning in een bouwvergunning voor die andere kavel. Een beweerdelijk door een ambtenaar gedane toezegging - wat daar verder ook van zij - maakt dit niet anders. De rechtbank heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat er in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink    w.g. Nolles
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005
291.