ECLI:NL:RVS:2005:AT2813

Raad van State

Datum uitspraak
30 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406375/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • J. Willems
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.5 Bouwverordening gemeente Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering gebruiksvergunning voor supermarkt aan Hofdijkstraat 1 te Eindhoven

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven weigerde op 1 oktober 2003 aan appellante een gebruiksvergunning voor het gebruik van een pand aan de Hofdijkstraat 1 als supermarkt te verlenen. Deze weigering was gebaseerd op artikel 6.1.5 van de bouwverordening, dat voorschrijft dat een gebruiksvergunning geweigerd moet worden indien de bouwvergunning is geweigerd.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar op 30 maart 2004 ongegrond. Vervolgens stelde appellante beroep in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch, die het beroep op 24 juni 2004 ongegrond verklaarde. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de weigeringsgrond, namelijk de weigering van de bouwvergunning, zowel bij de aanvraag als bij de beslissing op bezwaar aanwezig was. Het feit dat deze grond pas later ontstond door herroeping van de bouwvergunning en dat het college de beslissing op de aanvraag tijdelijk aanhield, doet hieraan niet af. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 30 maart 2005 in het openbaar uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de gebruiksvergunning voor de supermarkt aan de Hofdijkstraat 1 te Eindhoven.

Uitspraak

200406375/1.
Datum uitspraak: 30 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Lidl Nederland GmbH, gevestigd te Huizen,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 24 juni 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan appellante geweigerd voor het gebruik als supermarkt van een pand aan de Aalsterweg 22B (lees: Hofdijkstraat 1) te Eindhoven een gebruiksvergunning ingevolge de bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de bouwverordening) te verlenen.
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 2004, verzonden op 25 juni 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 27 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar appellante vertegenwoordigd door H. van Oorschot, R. Hoeben en M. Heersmink, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 6.1.5., aanhef en onder b, van de bouwverordening, moet een gebruiksvergunning worden geweigerd indien de bouwvergunning is geweigerd.
2.2.    Vaststaat dat voormelde weigeringsgrond zich voordeed zowel ten tijde van de beslissing op de aanvraag als ten tijde van de beslissing op bezwaar. De omstandigheid dat deze weigeringsgrond eerst is ontstaan met het herroepen en (alsnog) weigeren van een voor het pand verleende bouwvergunning ruimschoots na de indiening van de aanvraag, noch de omstandigheid dat het college de beslissing op de aanvraag ten onrechte gedurende de behandeling van het tegen de bouwvergunning gemaakte bezwaar heeft aangehouden, doet daaraan af. Anders dan appellante betoogt volgt uit deze gang van zaken niet dat het college met die weigeringsgrond geen rekening moest houden. Die uitleg verdraagt zich niet met voormeld artikel 6.1.5., aanhef en onder b. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink    w.g. Willems
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005
412.