Uitspraak
200300492/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd, waarbij verweerder is opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellanten.
Raad van State
Appellanten verzochten het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier om handhavend op te treden tegen [belanghebbende] wegens het storten van materialen in een sloot en het aanbrengen van een oeverbeschoeiing zonder vergunning. Verweerder wees dit verzoek af, waarna appellanten bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat de stort van materialen in de sloot een lozing is in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Uit onderzoek bleek echter dat de aangebrachte beschoeiing toereikend is om verontreiniging te voorkomen en dat de waterkwaliteit en bodemgesteldheid geen overschrijding van interventiewaarden vertoonden.
De Afdeling oordeelde dat verweerder op grond van deze onderzoeksresultaten terecht heeft afgezien van handhavend optreden omdat het verwijderen van de beschoeiing en de gestorte materialen meer nadelige gevolgen zou hebben voor de waterkwaliteit. Ook werd geoordeeld dat de status van het gebied als bodembeschermingsgebied geen juridische relevantie heeft voor dit geschil.
Het beroep van appellanten werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.