ECLI:NL:RVS:2005:AT3727
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting recreatie-inrichting wegens harddrugs en overlast in Den Haag
De burgemeester van Den Haag heeft bij besluit van 28 november 2003 de recreatie-inrichting op een locatie in Den Haag voor twaalf maanden gesloten en bepaald dat na heropening de verkoop van softdrugs niet langer wordt gedoogd. Dit besluit volgde op rapportages van de politie Haaglanden waaruit bleek dat de inrichting overlast veroorzaakte, een grotere handelsvoorraad softdrugs dan toegestaan had en dat harddrugs werden verhandeld en/of gebruikt.
Appellanten maakten bezwaar tegen het besluit, dat door de burgemeester werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State werd dit oordeel bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht bestuursdwang toepaste op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het gemeentelijk beleid ten aanzien van coffeeshops.
De Afdeling verwierp de stellingen van appellanten dat niet alle relevante stukken waren overgelegd en dat de exploitant niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de aanwezigheid van harddrugs. Tevens werd geoordeeld dat intrekking van de gedoogbeschikking geen besluit in de zin van de Awb is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de recreatie-inrichting wordt bevestigd.