ECLI:NL:RVS:2005:AT3734

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200501621/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • R.P.F. Boermans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwstop en dwangsom Boxtel

Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft op 25 augustus 2004 verzoeker gesommeerd de bouwwerkzaamheden voor een stal/garage op zijn perceel met onmiddellijke ingang te staken en een preventieve last onder dwangsom van €10.000,- opgelegd indien de bouw zou worden voortgezet.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 17 december 2004 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 20 januari 2005 het beroep van verzoeker ongegrond.

Verzoeker stelde bij de Raad van State hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 18 maart 2005. De Voorzitter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak omdat de dwangsom al was verbeurd en alleen de burgerlijke rechter bevoegd is tot invordering daarvan. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bouwstopbesluit en de dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

200501621/2.
Datum uitspraak: 8 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 20 januari 2005 in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) verzoeker gesommeerd de bouwwerkzaamheden ten behoeve van een stal/garage op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie […], nummer […] met onmiddellijke ingang te staken. Voorts is daarbij een preventieve last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat verzoeker een dwangsom verbeurt van €10.000,00, zodra door het college wordt vastgesteld dat de bouw is voortgezet.
Bij besluit van 17 december 2004 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 20 januari 2005, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 25 januari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2005, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 maart 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door A.H.W.M. Schreuder, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door M.W.C. Heesbeen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    De vraag of het college mocht aannemen dat verzoeker kennis heeft kunnen nemen van het per aangetekende brief verzonden besluit van 25 augustus 2004, nu, naar zeggen van verzoeker, zijn echtgenote vanwege haar niet aan te rekenen omstandigheden heeft geweigerd deze brief in ontvangst te nemen en het besluit niet alsnog per post is nagezonden, dient in de bodemprocedure te worden beantwoord.
2.2.    Aangezien de dwangsom op het moment van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening reeds was verbeurd en slechts de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de invordering daarvan, ontbreekt naar het oordeel van de Voorzitter het voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang. Gelet hierop, wordt het verzoek om het treffen van een zodanige voorziening afgewezen.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Boermans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2005
429.