Uitspraak
200407992/1) heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van het gebruik van de woning op het perceel ten behoeve van een kindercentrum.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Almelo legde appellante dwangsommen op voor het gebruik van een pand als kindercentrum in strijd met het bestemmingsplan. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze handhaving.
De rechtbank Almelo verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht handhavend optrad omdat geen concreet uitzicht op legalisatie bestond en het gebruik in strijd was met het bestemmingsplan.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalde, omdat geen concrete toezeggingen waren gedaan en er geen vergelijkbare gevallen waren waarin het college afzag van handhaving. De verlenging van de begunstigingstermijn door het college werd eveneens bevestigd.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de handhaving en dwangsombesluiten wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.