ECLI:NL:RVS:2005:AT4701

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200502613/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 4:8 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding werktijden revisievergunning

Verzoekster kreeg op 15 maart 2005 een last onder dwangsom opgelegd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland vanwege overtreding van voorschrift 3.1 van haar revisievergunning, die de werktijden van haar inrichting regelt. De dwangsom bedroeg € 20.000 per overtreding met een maximum van € 100.000.

Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 4 april 2005 verschenen beide partijen, waarbij verweerder stelde dat er geen concreet zicht op legalisatie bestond en dat de overtreding ook betrekking had op werktijden die niet door de ingediende aanvraag werden gedekt.

De Voorzitter overwoog dat verzoekster in bezwaar nog gelegenheid krijgt haar zienswijze naar voren te brengen, waardoor het vermeende verzuim niet tot een voorlopige voorziening leidt. Ook stelde hij vast dat de overtreding van de werktijden onomstreden was en dat verweerder bevoegd was tot handhaving. Het enkele feit dat een aanvraag voor uitbreiding van werktijden in behandeling was, bood onvoldoende concreet zicht op legalisatie om handhaving te staken.

Gelet op het algemeen belang bij handhaving en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die handhavend optreden onevenredig maken, wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van werktijden wordt afgewezen.

Uitspraak

200502613/1.
Datum uitspraak: 20 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2005, kenmerk MPM546, verzonden op 21 maart 2005, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 3.1 van de revisievergunning van 23 juni 1998, kenmerk MW96.53126-6093007, ten aanzien van de inrichting van verzoekster gelegen aan [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. De dwangsom is vastgesteld op € 20.000,00 per geconstateerde overtreding. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 100.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 23 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 april 2005, waar verzoekster, [gemachtigde] en [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ü. Sijsma-Zorlü, ing. A.J. Willemsen en G.J.H. Breteler, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Verzoekster voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar voren te brengen.
De Voorzitter overweegt dat verzoekster tegen het bestreden besluit bezwaar heeft gemaakt. In bezwaar zal verzoekster in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. Het door haar aangevoerde verzuim, wat daar overigens ook van zij, kan in deze procedure worden hersteld. De Voorzitter ziet dan ook op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.2.    De Voorzitter stelt vast dat in voorschrift 3.1 werktijden, waarop de inrichting in werking mag zijn, zijn geregeld. De omstandigheid dat in voorschrift 3.3 van de vergunning voor de periode tussen 07.00 uur en 23.00 uur bepaalde equivalente geluidniveaus worden genoemd ter hoogte van de daarin genoemde beoordelingspunten maakt dit, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent, niet anders. Niet in geschil tussen partijen is dat de in voorschrift 3.1 genoemde werktijden door verzoekster ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werden overschreden. Verweerder was dan ook ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bevoegd tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom.
Voorzover verzoekster nog wijst op de omstandigheid dat een reeds eerder opgelegde last onder dwangsom nog niet is uitgewerkt, nu tegen de invordering van de verbeurde dwangsommen verzet bij de burgerlijke rechter is aangetekend, overweegt de Voorzitter dat dit aan de bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van gewraakte last onder dwangsom niet afdoet.
2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 3.1, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4.    Verzoekster betoogt - kort weergegeven - dat er in het onderhavige geval concreet zicht op legalisatie bestaat, nu op 22 december 2004 een aanvraag om de uitbreiding van de werktijden bij verweerder is ingediend en deze aanvraag in behandeling is genomen.
2.5.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de aanvraag in behandeling is genomen niet maakt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in het onderhavige geval concreet zicht op legalisatie bestond; dit omdat vooralsnog onduidelijkheid bestaat omtrent de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de aangevraagde uitbreiding van de werktijden. Daarnaast is er zijns inziens in het onderhavige geval tevens sprake van een overtreding van werktijden waar de ingediende aanvraag niet op ziet. Ook in zoverre bestond er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zich op legalisatie, aldus verweerder.
2.6.    De Voorzitter overweegt dat hij in het feit dat de ingediende aanvraag in behandeling is genomen, gelet op hetgeen door verweerder naar voren is gebracht, onvoldoende aanleiding ziet voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in het onderhavige geval een concreet zicht op legalisatie bestond. De Voorzitter ziet dan ook in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Overigens merkt de Voorzitter naar aanleiding van het verhandelde ter zitting nog op dat de omstandigheden van deze concrete situatie in hun volledige omvang bij het nemen van de beslissing op bezwaar nader in ogenschouw kunnen worden genomen. De Voorzitter gaat ervan uit dat bij het nemen van de beslissing op bezwaar de nodige spoedeisendheid zal worden betracht.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Drouen
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005
375.