ECLI:NL:RVS:2005:AT4735

Raad van State

Datum uitspraak
27 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406368/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • W.H. Tulmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 3:42 AwbArt. 46 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen bouwvergunning legalisatie loods

Het college van burgemeester en wethouders van Doorn weigerde aanvankelijk op 22 augustus 2000 een bouwvergunning voor het legaliseren van een reeds gebouwde loods. Na bezwaar verleende het college alsnog op 23 december 2003 de vergunning. De rechtbank Utrecht verklaarde het daaropvolgende beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

Appellant stelde dat de vergunning niet onherroepelijk was omdat het college het besluit niet volgens de vereiste procedure had bekendgemaakt en dat de vergunning van rechtswege was verleend. De Raad van State oordeelde dat het besluit wel op de juiste wijze was bekendgemaakt door toezending aan appellant, waardoor de vergunning in werking trad en onherroepelijk werd. Tevens had appellant geen belang bij de vraag of de vergunning van rechtswege was verleend, omdat de legesverordening de leges koppelt aan de aanvraagbehandeling.

De Raad van State concludeerde dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de bouwvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200406368/1.
Datum uitspraak: 27 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Doorn.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het legaliseren van een reeds gebouwde loods op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 23 december 2003, verzonden 3 maart 2004, heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog verleend.
Bij uitspraak van 16 juli 2004, verzonden op 22 juli 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 22 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. I. van Loon, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij geen procesbelang heeft bij een uitspraak op zijn beroep tegen het besluit tot afgifte van de bouwvergunning. Hij betoogt dat de vergunning niet onherroepelijk is, nu het college zijn besluit niet overeenkomstig artikel 3:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft bekendgemaakt, en dat de vergunning niet rechtsgeldig is, omdat reeds van rechtswege vergunning was verleend. Ook kan, aldus appellant, de wijze van vergunningverlening in de procedure omtrent de verschuldigdheid van leges niet aan de orde komen, omdat hij dat niet als grond heeft aangevoerd.
2.2.    Appellant betoogt op zichzelf terecht dat hij belang heeft bij een bekendmaking op de voorgeschreven wijze van het besluit tot verlening van de bouwvergunning. Het betreft hier evenwel een besluit op een aanvraag dat tot één of meer belanghebbenden is gericht. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie de aanvrager. Met de toezending van het bestreden besluit aan appellant heeft het college dat besluit dan ook op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is dat besluit, gelet op artikel 3:40 van Pro de Awb, daarmee in werking getreden. Ter zitting is voorts onweersproken verklaard dat geen bezwaar is gemaakt tegen dat besluit. Appellant beschikt derhalve over een onherroepelijke bouwvergunning. Voorts verbindt de Legesverordening van de gemeente Doorn de verschuldigdheid van leges aan het in behandeling nemen van een aanvraag om een bouwvergunning. Gelet hierop heeft appellant geen belang bij een antwoord op de vraag of de bouwvergunning door het verstrijken van de in artikel 46 van Pro de Woningwet genoemde termijn niet reeds van rechtswege was verleend.
2.3.    Gelet op het vorenstaande, geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink    w.g. Tulmans
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005
291.