ECLI:NL:RVS:2005:AT5096

Raad van State

Datum uitspraak
27 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500703/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • P.A. de Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.10 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning manege op grond van Wet milieubeheer

Bij besluit van 21 december 2004 heeft de gemeente krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend aan de vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een manege op een perceel te een plaats. Dit besluit is op 7 januari 2005 ter inzage gelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De Voorzitter heeft het verzoek behandeld op 14 april 2005, waarbij partijen zijn gehoord. Verzoeker stelde dat de aanvraag onvolledig was, onder meer vanwege het ontbreken van aanvullend akoestisch onderzoek en onduidelijkheden over de tekeningen die deel uitmaken van de vergunning. De Voorzitter oordeelde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevatte voor een goede milieubeoordeling.

Verder voerde verzoeker aan dat de paardenstal een open zijgevel zou hebben en dat de mechanische ventilatie niet zou functioneren bij het openen van ramen. De Voorzitter stelde vast dat de tekening geen open zijgevel of ramen vermeldde en dat dergelijke bezwaren niet de rechtmatigheid van de vergunning raken. Ook het betoog dat de mechanische ventilatie een ongezonde omgeving voor de paarden zou creëren, werd verworpen omdat dit niet onder het milieubelang valt.

Gelet op deze overwegingen zag de Voorzitter geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening tegen de milieuvergunning voor de manege wordt afgewezen.

Uitspraak

200500703/2.
Datum uitspraak: 27 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 7 januari 2005 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. M.K. Weterings, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door L.F.M. van den Boogaard, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghouder daar gehoord, bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag onvolledig is. In dit verband heeft hij aangevoerd dat een aanvullend akoestisch onderzoek ontbreekt en dat op de tekening van de paardenstal de luchtinlaten ten onrechte niet staan aangegeven.
Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.
2.3.    Verzoeker heeft aangevoerd dat onduidelijk is welke tekeningen deel uitmaken van de bij het bestreden besluit verleende vergunning.
Blijkens het dictum van het bestreden besluit maken de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden deel uit van de vergunning. Bij de op 11 december 2001 ingediende aanvraag is een plattegrondtekening van de inrichting gevoegd. Op 1 april 2004 is de aanvraag gewijzigd in die zin dat de paardenstal mechanisch in plaats van natuurlijk wordt geventileerd. In dit verband is de plattegrondtekening van de inrichting, voorzover het de paardenstal betreft, vervangen door een nieuwe tekening waarop onder meer een centraal afzuigkanaal en een ventilator zijn aangegeven. De Voorzitter is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat beide tekeningen in zoverre deel uitmaken van de vergunning.
2.4.    Verzoeker heeft aangevoerd dat de paardenstal in afwijking van de tekening een open zijgevel heeft. Verzoeker is er verder voor beducht dat door het openen van ramen in de paardenstal het ventilatiesysteem niet zal functioneren.
Blijkens tekening die is gevoegd bij de op 1 april 2004 gewijzigde aanvraag is de paardenstal niet voorzien van een open zijgevel of ramen. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid van het treffen van handhavingsmaatregelen indien de vergunning niet wordt nageleefd.
2.5.    Verzoeker heeft betoogd dat een reële bedrijfsvoering niet mogelijk is, aangezien de mechanische ventilatie van de paardenstal een ongezonde (leef)omgeving voor de paarden met zich brengt.
De Voorzitter overweegt dat het belang bij een economisch rendabele bedrijfsvoering en het belang bij de wijze waarop de dieren in de inrichting worden gehuisvest niet behoren tot het belang van de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.
2.6.    Ook in hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. De Vink
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005
154-399.