ECLI:NL:RVS:2005:AT5350
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.E.M. Polak
- L. Groenendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op energiepremie wegens niet tijdige aanvraag na intrekking regeling
Appellant had een aanvraag ingediend voor een energiepremie op basis van energiebesparende maatregelen die in 2002 waren uitgevoerd en waarvoor een Energieprestatieadvies (EPA) uit 2001 bestond. De aanvraag werd echter afgewezen omdat deze pas in april 2003 werd ingediend, na de intrekking van de regeling per 16 oktober 2003 en de uiterste aanvraagdatum van 2 april 2003.
Appellant voerde aan dat de vertraging in de aanvraag niet aan hem toe te rekenen was vanwege de lange duur van de verbouwing en onvoorziene omstandigheden. Hij stelde dat het niet toewijzen van de premie tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.
De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de late indiening niet aan hem kon worden toegerekend. De koopovereenkomst was in 2002 gesloten en de laatste betaling was in februari 2003 gedaan. De vertraging door het wachten op een eindafrekening was voor risico van appellant. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd niet toegekomen aan de vraag of het niet toewijzen onbillijk zou zijn.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 mei 2005.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de energiepremieaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige indiening.