ECLI:NL:RVS:2005:AT5365
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over niet-behandeling verzoek naturalisatie wegens ontbreken gelegaliseerde geboorteakte
De minister besloot op 3 december 2002 het verzoek van de vreemdeling om verlening van het Nederlanderschap niet te behandelen wegens het ontbreken van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte. De vreemdeling kon deze akte niet overleggen en verzocht de minister gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde dat de vreemdeling redelijkerwijs over de akte had moeten beschikken en dat het ontbreken ervan het niet in behandeling nemen rechtvaardigde.
De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van de gelegaliseerde geboorteakte niet automatisch betekent dat de aanvraag onvolledig is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De minister had een inhoudelijke belangenafweging moeten maken, mede gelet op de bewijsnood van de vreemdeling. Het hoger beroep van de minister faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling bij het niet in behandeling nemen van naturalisatieverzoeken zonder gelegaliseerde geboorteakte.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het besluit van de minister om het naturalisatieverzoek niet te behandelen onjuist was en wijst het hoger beroep af.