Uitspraak
200201686/1, vernietigd.
Raad van State
Verweerder verleende op 21 april 2004 een ontgrondingsvergunning aan appellante voor het ontgronden van circa 33,5 hectare in de locatie 'Uitbreiding Beers-Oost-Noord'. Appellante stelde dat de winruimte ten onrechte ook aan andere partijen was toegewezen zonder deugdelijk motief en zonder dat andere partijen een aanvraag hadden ingediend. Verweerder baseerde zich op een Intentieverklaring tussen provincies Noord-Brabant, Gelderland en Limburg uit 1994, die een evenredige verdeling van winningsmogelijkheden voorschrijft.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden tot het moment van besluitvorming had moeten betrekken, waaronder de vraag of de taakstellingen uit de Intentieverklaring al waren gehaald. Dit was onduidelijk gebleven, waardoor niet kon worden vastgesteld of de Intentieverklaring nog van toepassing was. Tevens werd onvoldoende rekening gehouden met ontwikkelingen in Gelderland die compensatie voor appellante konden rechtvaardigen.
De Afdeling concludeerde dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het belang van zorgvuldige motivering en actuele beleidsafwegingen bij vergunningverlening onderstreept.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening werd vernietigd wegens onvoldoende motivering van de winruimteverdeling.