Uitspraak
200308218/1) de goedkeuring heeft vernietigd van dat deel van het bestemmingsplan ’s-Gravenmoer Dorp (hierna: het bestemmingsplan) dat het perceel betreft. Tevens betogen appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de verleende bouwvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het niet gaat om de bouw van één woning met kantoorruimte. Hiervan moet volgens appellanten op grond van artikel 13.2.b van het bestemmingplan sprake zijn.
200308218/1) heeft de Afdeling de goedkeuring van het bestemmingsplan vernietigd, voor zover dit betrof de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "KW, Kantoren en Woondoeleinden" met de aanduiding "6, maximale goot- of boeibordhoogte zes meter" nader aangegeven op de bij die uitspraak behorende kaart nummer 2.
200308026/1volgt dat de rechtsgevolgen van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan niet door vernietiging van een goedkeuringsbesluit van dat bestemmingsplan met terugwerkende kracht ongedaan zijn gemaakt.
200308218/2het verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de goedkeuring van het bestemmingsplan heeft afgewezen, is het bestemmingsplan op die datum in werking getreden. De vernietiging van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 november 2003 voor zover dit de goedkeuring van het betreffende plandeel betrof en de onthouding van goedkeuring aan het betreffende plandeel op 22 september 2004 nemen dan ook niet weg dat op 13 juli 2004 terecht is beslist op de bouwaanvraag met toepassing van het bestemmingsplan. Anders dan appellanten beweren volgt uit de in rechtsoverweging 2.2.2 genoemde uitspraken niet dat het college had moeten wachten met de beslissing op de bouwaanvraag tot na de uitspraak in de bodemprocedure betreffende de goedkeuring van het bestemmingsplandeel in kwestie.
200201897/1is het uitgangspunt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Artikel VII, tweede en derde lid van de wijzigingswet geven geen aanleiding voor de conclusie dat dat in dit geval anders moet zijn. De aanvraag is van na 1 januari 2003, zodat artikel VII, derde lid, van de wijzigingswet niet van toepassing is. De beslissing op bezwaar dateert van 13 juli 2004. Op grond van artikel VII, tweede lid, van de wijzigingswet had de gemeenteraad van Dongen op 1 juli 2004 een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet moeten hebben, bij gebreke waarvan de oude bepalingen over de welstand hun gelding hebben verloren. De welstandsnota is op 8 juli 2004 door de gemeenteraad van Dongen vastgesteld en op 16 juli 2004 in werking getreden. In de periode van 1 juli 2004 tot en met 15 juli 2004 heeft het college, gezien artikel VII, tweede lid, van de wijzigingswet, niet aan welstand mogen toetsen en dus ook niet op grond van welstandseisen de aanvraag van een bouwvergunning mogen afwijzen. Niet valt in te zien dat het college met het nemen van de beslissing op bezwaar had moeten wachten totdat de welstandsnota in werking was getreden. De voorzieningenrechter heeft daarom terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat het college op grond van welstandseisen de bouwvergunning niet kon weigeren.