ECLI:NL:RVS:2005:AT5701

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200409761/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • B. Klein Nulent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 WROArt. 20 lid 1 Bro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning bouw woning ondanks overschrijding maximale bouwhoogte

Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer verleende op 18 april 2002 een vergunning voor de bouw van een woning op een perceel in Zoetermeer, waarbij de bouwhoogte de maximale hoogte van het bestemmingsplan overschreed. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning en voerden aan dat het bouwplan zou leiden tot meer schaduwwerking en geluidsoverlast.

Het college handhaafde het besluit en verleende een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) in samenhang met artikel 20 van Pro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro). De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het college terecht de vrijstelling heeft verleend, ondanks een vermeende standpuntwijziging tijdens de procedure. Uit het bezonningsonderzoek bleek dat de schaduwwerking voornamelijk door bestaande bebouwing werd veroorzaakt en dat het bouwplan nauwelijks extra schaduw gaf. De vrees voor extra geluidsoverlast door weerkaatsing van geluid werd niet onderbouwd door appellanten.

De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning met vrijstelling wordt bevestigd.

Uitspraak

200409761/1.
Datum uitspraak: 18 mei 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 oktober 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan [aanvrager] vergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […], plaatselijk bekend naast [locatie], te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college, beslissend op het door appellanten tegen het besluit van 18 april 2002 gemaakte bezwaar, dat besluit gehandhaafd, onder aanpassing van de motivering daarvan en onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro).
Bij uitspraak van 27 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 januari 2005 heeft [aanvrager] een reactie op het hoger beroepschrift gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar het college, vertegenwoordigd door M.E.J. Pieters en mr. W.G.M. Coenen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [aanvrager], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, daar gehoord. Appellanten zijn met kennisgeving niet ter zitting verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    De in het bouwplan voorziene bouwhoogte overschrijdt de maximum bouwhoogte die op grond van het uitwerkingsplan "Rokkeveen-Oost 3" voor het perceel is toegelaten. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het college, ten behoeve van verwezenlijking van het bouwplan, vrijstelling heeft kunnen verlenen van de geldende maximum bouwhoogte.
2.1.1.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen krachtens artikel 19, derde lid, WRO, in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro. Dat het college, naar appellanten betogen, gedurende de procedure van standpunt is veranderd over de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen krachtens vorenbedoelde artikelen, doet er niet aan af dat aan de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstellingsbevoegdheid wordt voldaan.
2.2.    Volgens appellanten leidt het bouwplan tot een toeneming van schaduwwerking en heeft het college onvoldoende gewicht toegekend aan het belang bij voldoende daglichttoetreding ter plaatse van nabij staande woningen.
2.2.1.    Uit het aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek heeft het college afgeleid dat schaduwwerking op omliggende percelen grotendeels kan worden toegerekend aan bestaande bebouwing. Niet is gebleken dat deze conclusie onjuist is. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan nauwelijks gevolgen heeft voor de lichttoetreding ter plaatse van woningen op de naastgelegen percelen. Overigens blijkt uit het hiervoor bedoelde onderzoek dat het bouwplan niet of nauwelijks leidt tot een toeneming van schaduw op het perceel van appellanten.
2.3.    Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college er niet van heeft kunnen uitgaan dat het bouwplan niet tot een door appellanten gevreesde toeneming van geluidsoverlast vanwege verkeer op het fietspad zal leiden. In dit verband is van belang dat appellanten hun stelling dat de aan het fietspad voorziene gevel - vanwege weerkaatsing van geluid - een toeneming van geluidsoverlast zal meebrengen, in het geheel niet hebben onderbouwd.
2.4.    Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het college, na afweging van de betrokken belangen, de benodigde vrijstelling niet heeft kunnen verlenen.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005
275.