Uitspraak
200206251/1leidt niet tot het daarmee beoogde doel, omdat het in die zaak, anders dan in dit geval, ging om een nevenactiviteit (detailhandel) die rechtstreeks verband hield met de uitoefening van het toegelaten gebruik (groothandel).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg legde appellanten een dwangsom op om het houden van een paardenpension te beëindigen en een paardenbak te verwijderen op een perceel met de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden. Appellanten voerden aan dat het paardenpension een toelaatbare nevenactiviteit was bij hun melkveehouderijbedrijf.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het stallen van 20 of meer pensionpaarden geen toelaatbare nevenactiviteit is omdat het niet rechtstreeks verband houdt met de melkveehouderij. Ook de aanleg van de paardenbak is verboden op grond van het bestemmingsplan. Het college is bevoegd handhavend op te treden.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en overweegt dat handhaving in het algemeen noodzakelijk is bij overtreding van wettelijke voorschriften, tenzij concreet uitzicht op legalisatie bestaat of handhaving onevenredig is. Geen van beide uitzonderingen is hier van toepassing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhavingsmaatregelen worden bevestigd.