ECLI:NL:RVS:2005:AT6559
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens niet voldoen aan inburgeringseisen
Appellant verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd door de Staatssecretaris van Justitie op 29 mei 2002 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de interpretatie van het begrip inburgering zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Volgens de geldende beleidsregels moet een verzoeker beschikken over redelijke kennis van de Nederlandse taal en zich in de Nederlandse samenleving hebben opgenomen, waaronder het naleven van rechtsbeginselen zoals monogamie. De Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap stelt dat een eenzijdige verstoting door de man slechts rechtsgeldig is indien de vrouw daarmee instemt of berust.
Appellant voerde aan dat het feit dat dertig jaar verstreken zijn sinds de verstoting van zijn eerste echtgenote, duidt op stilzwijgende instemming. De Raad van State oordeelde dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de vrouw instemde of berustte, hetgeen niet is gebeurd. Enkel stilzitten is onvoldoende. Daarnaast werd geoordeeld dat de inschrijving van de verstoting in het bevolkingsregister niet automatisch rechtsgeldige huwelijksontbinding betekent en dat de minister bevoegd is om het beleid toe te passen zoals zij dat doet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap afgewezen.