ECLI:NL:RVS:2005:AT6961

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503665/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • R.I.Y. Lap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.1 WmArt. 8.40 WmArt. 2 Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om bestuurlijke handhaving tegen vergunninghouder wegens toepassing Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer

Verzoeker heeft bij brief van 16 februari 2005 aan verweerder gevraagd om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen tegen de inrichting van vergunninghouder wegens het zonder vergunning in werking zijn van die inrichting. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 24 maart 2005 afgewezen, omdat de inrichting onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer valt en dus geen vergunning vereist is.

Verzoeker betoogt dat de inrichting niet in hoofdzaak bestemd is voor houtbewerking en dat de opslagloods mogelijk ook voor opslag van conserven wordt gebruikt, waardoor het Besluit niet van toepassing zou zijn. Verzoeker stelt dat de oppervlakte van de opslagloods te klein is ten opzichte van het totale bouwoppervlak om te spreken van een houtverwerkende inrichting.

De Voorzitter overweegt dat uit de melding en nadere stukken blijkt dat naast houtactiviteiten ook opslag van conserven en een automatiseringsbedrijf aanwezig zijn, maar dat de opslag van conserven per 31 mei 2005 wordt beëindigd. Foto's tonen dat de opslagloodsen weer voor houtactiviteiten zullen worden gebruikt. Gezien de beperkte milieuhygiënische relevantie van de andere activiteiten, is de inrichting in hoofdzaak bestemd voor houtbewerking en valt zij onder het Besluit.

Daarom is de afwijzing van het handhavingsverzoek terecht en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

200503665/1.
Datum uitspraak: 2 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2005, kenmerk 05.003260, heeft verweerder, voorzover hier van belang, een verzoek van verzoekster om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [vergunninghouder], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 25 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda, en verweerder, vertegenwoordigd door D.P. van de Voorde, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij brief van 16 februari 2005, voorzover hier van belang, heeft verzoeker verweerder verzocht om met toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden tegen het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zonder vergunning in werking zijn van de inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 24 maart 2005, voorzover hier van belang, heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat deze inrichting naar zijn oordeel onder het toepassingsbereik valt van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) en er derhalve geen vergunning is vereist voor het in werking zijn daarvan. Zij wijst in dit verband op de door [vergunninghouder] bij brief van 24 december 2004 gedane melding.
2.2.    Verzoeker betoogt dat verweerder ten onrechte van oordeel is dat de inrichting in hoofdzaak bestemd is voor het bewerken, verwerken en opslaan van hout en dat derhalve het Besluit op de inrichting van toepassing is. Daartoe voert hij aan dat uit de voornoemde melding onvoldoende blijkt of het op de tekening bij de melding als "opslagloods B of A" aangeduide gebouw daadwerkelijk door [vergunninghouder] zal kunnen worden gebruikt voor de opslag van houten pallets en kisten, nu onduidelijk is in hoeverre deze opslagloods nodig is voor de opslag van conserven door [partij]. Verzoeker meent dat, zo deze ruimte al door [vergunninghouder] gebruikt zou kunnen worden, de oppervlakte van deze ruimte te klein is ten opzichte van het geheel aan bouwoppervlak van bedrijfsgebouwen om te kunnen spreken van een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor het bewerken, verwerken en opslaan van hout.
2.2.1.    Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting: a. op te richten; b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen; c. in werking te hebben.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt dit verbod niet met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.
Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het vervaardigen, bewerken, verwerken of opslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
2.2.2.    Uit de bij brief van 24 december 2004 gedane melding kan worden afgeleid dat op het perceel [locatie] te [plaats] naast de activiteiten van [vergunninghouder], bestaande uit het vervaardigen, repareren, verhandelen, verhuren en opslaan van houten pallets en kisten, opslag van conserven plaatsvindt door [partij] en dat een automatiseringsbedrijf is gevestigd in de op het perceel aanwezige kantoor- en magazijnruimte. [vergunninghouder] heeft een brief van [partij] overgelegd waaruit blijkt dat de huurovereenkomst ten behoeve van de opslag van conserven per 31 mei 2005 door [partij] wordt opgezegd. Ter zitting heeft [vergunninghouder] foto's getoond om zijn stelling te onderbouwen dat thans reeds geen opslag van conserven meer plaatsvindt en dat de op de tekening bij de melding als "opslagloods B of A" en "opslaghal" aangeduide gebouwen in het vervolg daarom weer ten behoeve van de opslag van houten pallets en kisten zullen worden gebruikt. Afgezien van de vraag of en in hoeverre nog opslag plaatsvindt van conserven door [partij], overweegt de Voorzitter dat hij, mede gelet op de beperkte milieuhygiënische relevantie van de activiteiten van [partij] en het automatiseringsbedrijf, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de inrichting niet in hoofdzaak bestemd is voor het vervaardigen, bewerken, verwerken of opslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder derhalve het verzoek om met toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden tegen overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer terecht afgewezen.
2.3.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen    w.g. Lap
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005
288.