Uitspraak
200403342/1, onder meer het volgende overwogen:
Raad van State
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 november 2004 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarin werd besloten geen handhaving te verrichten tegen mechanische winning van wadpieren in nieuw aangewezen gebieden van het staatsnatuurmonument Waddenzee. Verzoekers betoogden dat de vergunningen van 24 februari 2003 nog niet onherroepelijk waren, terwijl vergunninghouders toch gebruik maakten van deze vergunningen.
De Voorzitter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en geoordeeld dat de vergunningen inmiddels zijn ingetrokken, waardoor de vergunninghouders geen rechtsgeldige vergunning meer bezitten voor mechanische wadpierwinning in de nieuwe gebieden. De Voorzitter schorst daarom het besluit van 24 november 2004 totdat op het bezwaar tegen dit besluit is beslist.
Daarnaast veroordeelde de Voorzitter de Minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekers. Het verzoek om een verdergaande voorlopige voorziening werd afgewezen. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het besluit van 24 november 2004 is geschorst totdat op het bezwaar is beslist en de Minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.