Uitspraak
200305297/1het besluit tot vergunningverlening van verweerder wat betreft de voorschriften 10.4, 10.5 en 10.6 heeft vernietigd. Omdat daardoor ten tijde van het bestreden besluit geen piekgeluidnormen golden, had naar zij stelt de bijdrage van het zogenoemde booggeluid niet meegenomen mogen worden bij de vaststelling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode. Daarbij wijst zij erop dat eerst op 1 januari 2005 maatregelen moesten zijn getroffen om de booggeluiden te reduceren. Appellante betoogt voorts dat het booggeluid niet aan de voorgeschreven piekgeluidgrenswaarden kon voldoen.
200305297/1de aan genoemde vergunning verbonden voorschriften betreffende de piekgeluiden vernietigd, maar dit laat onverlet dat appellante daarmee in het kader van de naleving van het in stand gebleven voorschrift 10.2 rekening had kunnen - en derhalve moeten - houden. De enkele omstandigheid dat de pieken van het booggeluid tijdelijk niet aan een norm behoefden te voldoen kan daarom niet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder ten aanzien van de niet-naleving van de in voorschrift 10.2 neergelegde norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van handhaving had moeten afzien. Bovendien staat als door appellante onvoldoende weersproken vast dat de door verweerder in de nacht van 27 op 28 april 2004 geconstateerde overtreding in niet onbelangrijke mate werd veroorzaakt door onnodige gedragingen van personeel van appellante en voorts dat met een deel van de door verweerder in het bestreden besluit genoemde (organisatorische) maatregelen een zekere geluidreductie kan worden bereikt. Wat betreft de door appellante aangevoerde omstandigheid dat slechts eenmaal is geconstateerd dat de voorgeschreven norm werd overschreden, geldt dat dit gezien de aard van de voorgeschreven norm nog niet impliceert dat het slechts om een incidentele overtreding gaat.