ECLI:NL:RVS:2005:AT7424

Raad van State

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504532/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W. Konijnenbelt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Verordening 259/93/EEGArt. 10 Verordening 259/93/EEGArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij bezwaar tegen uitvoer zeeffractie naar België

Verzoekster wilde 10.000.000 kg zeeffractie uitvoeren naar België met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving volgens Verordening 259/93/EEG. Verweerder maakte bezwaar omdat niet gegarandeerd kon worden dat elke overbrenging uit afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen bestond, mede vanwege de onderverdeling van cellulose in papier/karton- en houtfractie.

Verzoekster stelde dat cellulose als één fractie moest worden beschouwd en dat gelamineerd hout tot de hout/laminatenfractie gerekend kon worden, waardoor aan het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012 voldaan zou zijn. Verweerder had dit niet gemotiveerd en had bij eerdere kennisgevingen cellulose wel als één fractie beschouwd.

De Voorzitter concludeerde dat verweerder waarschijnlijk bij heroverweging zou concluderen dat aan de vereisten van het LAP werd voldaan. Gezien het belang van verzoekster bij spoedige overbrenging en het ontbreken van zwaarwegende milieuomstandigheden, werd het verzoek tot schorsing van het bezwaarbesluit toegewezen en een voorlopige voorziening getroffen die schriftelijke instemming verleent.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekster. De schorsing geldt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met doorloop bij verzoek om voorlopige voorziening.

Uitkomst: Het bezwaarbesluit is geschorst en een voorlopige voorziening verleent schriftelijke instemming tot uitvoer van de afvalstoffen.

Uitspraak

200504532/1.
Datum uitspraak: 9 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2005, kenmerk NL111303, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), 10.000.000 kg zeeffractie uit te voeren naar België.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 24 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juni 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. M. Kreeft en H.P.J. Wolters, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, ambtenaar van het ministerie, en J.E. Den Hartog-van 't Zelfde, gemachtigde, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om afvalstoffen uit te voeren met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening, omdat volgens hem niet kan worden gegarandeerd dat iedere afzonderlijke overbrenging bestaat uit afvalstoffen die over dezelfde fysische en chemische eigenschappen beschikken. In dit verband heeft verweerder gewezen op de omstandigheid dat in het onderhavige geval niet wordt voldaan aan het in paragraaf 12.3.1 van het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP) gestelde vereiste dat het totaal van de fracties van minder dan 10%, tezamen niet meer dan 20% van de afvalstoffen mogen uitmaken, aangezien het gedeelte van de betrokken afvalstoffen dat volgens de kennisgeving bestaat uit cellulose naar het oordeel van verweerder niet kan worden beschouwd als één fractie, maar dient te worden onderscheiden in een papier/karton- respectievelijk een houtfractie.
2.2.    Verzoekster heeft betoogd dat verweerder cellulose ten onrechte niet beschouwt als één fractie, en dat kan worden gegarandeerd dat iedere afzonderlijke overbrenging bestaat uit afvalstoffen die over dezelfde fysische en chemische eigenschappen beschikken. Verder heeft verzoekster betoogd dat wanneer gelamineerd hout zou worden gerekend tot de hout/laminatenfractie, zou kunnen worden voldaan aan het in paragraaf 12.3.1 van het LAP gestelde vereiste dat het totaal van de fracties van minder dan 10%, tezamen niet meer dan 20% van de afvalstoffen mogen uitmaken.
2.3.    Blijkens de stukken heeft verweerder bij eerdere door verzoekster gedane kennisgevingen cellulose beschouwd als één fractie. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom hij thans van mening is dat cellulose dient te worden onderscheiden in een papier/karton- en een houtfractie. Ter zitting is verder gebleken dat verweerder vooralsnog geen bewaren ziet om gelamineerd hout te rekenen tot de hout/laminatenfractie, zodat hij bij de heroverweging van het bestreden besluit in het kader van de bezwaarprocedure hoogstwaarschijnlijk zal concluderen dat wordt voldaan aan het in paragraaf 12.3.1 van het LAP gestelde vereiste dat het totaal van de fracties van minder dan 10%, tezamen niet meer dan 20% van de afvalstoffen mogen uitmaken.
2.4.    Het vorenstaande in aanmerking nemende ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit toe te wijzen. Nu de onderhavige kennisgeving betrekking heeft op afvalstoffen als bedoeld in artikel 10 van Pro de Verordening en derhalve schriftelijke instemming is vereist alvorens tot uitvoer kan worden overgegaan, ziet de Voorzitter, gelet op het belang van verzoekster bij een spoedige overbrenging van de afvalstoffen naar België en nu niet is gebleken van zwaarwegende (milieu)omstandigheden die zich daartegen zouden kunnen verzetten, aanleiding daaromtrent tevens een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Nu de onderhavige zaak tezamen met zaak no. 200503823/1 op één zitting is behandeld en verweerder in zaak 200503823/1 is veroordeeld in de voor het verschijnen ter zitting gemaakte kosten, bestaat in de onderhavige zaak geen aanleiding deze kosten te vergoeden.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 mei 2005, kenmerk NL111303, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II.    treft de voorlopige voorziening dat met deze uitspraak geacht wordt schriftelijke instemming te zijn verleend overeenkomstig het kennisgevingsformulier met kenmerk NL111303 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, deze instemming doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
III.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderttweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehondertzesenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Leeuwen
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005
154-399.