ECLI:NL:RVS:2005:AT7425

Raad van State

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503845/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.1.6 gemeentelijke bouwverordening
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sloopvergunning vanwege onvoldoende bescherming nabijgelegen pand

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven verleende op 18 oktober 2004 een sloopvergunning aan een vergunninghoudster voor het slopen van een horeca-/opslagpand op een perceel te Eindhoven. Verzoekster, Bavaria N.V., eigenaar van een aangrenzend pand, maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde beroep in nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep ongegrond.

Verzoekster stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening bij de Raad van State, stellende dat de sloopvergunning in strijd was met de gemeentelijke bouwverordening, omdat de bescherming van haar nabijgelegen pand onvoldoende was gewaarborgd. De Voorzitter behandelde het verzoek op zitting en stelde vast dat er gerede twijfel bestond over de bescherming van het pand van verzoekster.

Gezien het voorlopige karakter van het oordeel en het feit dat vergunninghoudster nog geen bouwaanvraag had ingediend, besloot de Voorzitter de sloopvergunning en het bezwaarbesluit te schorsen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht die verzoekster had gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitkomst: De sloopvergunning en het bezwaarbesluit zijn geschorst en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

200503845/2.
Datum uitspraak: 9 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
Bavaria N.V., gevestigd te Lieshout,
verzoekster,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/319VV en AWB 05/321 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2005 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een sloopvergunning verleend voor het slopen van een horeca-/opslagpand op het perceel [locatie 1] te [plaats].
Bij besluit van 24 januari 2005 heeft het college het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2005, verzonden op 8 april 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 29 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 29 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.M. van Bemmel, advocaat te Breda, en door H.M.P. Lanen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.G. Schavemaker en ing. H. Smeets, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door A.G. Duffhues en M.M. van der Leegte, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het pand [locatie 1] grenst aan het pand [locatie 2], dat eigendom is van verzoekster. Vergunninghoudster wil het pand [locatie 1] slopen teneinde op het perceel appartementen te kunnen bouwen.
2.3.    Verzoekster betoogt onder meer dat de verlening van de sloopvergunning in strijd is met artikel 8.1.6., aanhef en onder b, van de gemeentelijke bouwverordening. Ingevolge deze bepaling moet een sloopvergunning worden geweigerd, indien de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd. Gelet op de ten aanzien van de gevolgen van de sloop voor het pand [locatie 2] overgelegde stukken en de daarop ter zitting door partijen gegeven toelichting, bestaat bij de Voorzitter gerede twijfel dat de bescherming van het pand [locatie 2] in verband met het slopen van het pand [locatie 1] voldoende is gewaarborgd. Derhalve moet worden betwijfeld of de aangevallen uitspraak en het besluit van 24 januari 2005 in de bodemprocedure in stand zullen blijven.
2.4.    Het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Daarbij neemt de Voorzitter ook in aanmerking dat, naar ter zitting is gebleken, voor het bouwplan van vergunninghoudster nog geen bouwaanvraag is ingediend.
2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van onderscheidenlijk 18 oktober 2004, zaaknr. SL03/0107, en 24 januari 2005, kenmerk JZ&IV 05UIT01689;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Eindhoven aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III.    gelast dat de gemeente Eindhoven aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Boer
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005
201.